Robots hebben magie nodig, en wij ook

Even wat basisinformatie. My Little Pony is de verzamelnaam voor pastelkleurige paardjes van kunststof. Speelgoed voor paardenmeisjes en poppenmoeders. Meisjes zijn er dol op. Deze moeder stiekem ook.

Maar nu bezoek ik er een op ware grootte: een opgezet ponypaard met een staart tot op de grond en enorme ogen. Voor zijn hoeven zijn er vier witte rolschaatsen met roze wieltjes.

Ik zie hem in een werkplaats van galerie The Active Space in Brunswick, een betonnen hoek in Brooklyn in New York. De Nederlandse Tinkebell creëerde hem. Ja, inderdaad, dat is die van die kat en die tas. Tinkebell doet wat kunstenaars moeten doen: ze werpt ideeën op. Ze intrigeert, ontroert, amuseert, provoceert. Ze fokt op. Met haar kattentas had ze het over gezelschapsdieren als accessoires van hun bazen. Kijk naar haar versie van my little pony en je beseft het lot van de afgeragde manegepaarden, sufgeknuffeld en altijd rondjes lopend met een dilettant op hun rug.

We horen het allemaal niet graag, maar Tinkebell heeft het er toch over. En ze doet dat niet gewichtig, maar als een meisje. Een meisje dat zich noemde naar het pesterige feetje uit Peter Pan.

Ashley Zelinskie van The Active Space exposeert Tinkebells pony in september weer. Hij kost 23.000 dollar. Ze zegt: „Ik zal hem missen als hij verkocht is.” Gebeurt dat dan? Ze denkt van wel. Tenniskampioen John McEnroe heeft belangstelling.

Ashley Zelinskie kan alles. In deze uithoek met vooral autosloperijen runt ze behalve een galerie werkplaatsen voor 37 kunstenaars. Ze hielp Tinkebell met de pony. Ze wachtte met haar op het sterven van hun favoriete zieke paard, ging mee naar de preparateur. Ze bedacht ook zijn naam ‘Cupcake’, hoor ik later van Tinkebell. En ze verstouwde haar portie hatemail en agressie, die hoort bij het werken met Tinkebell. Dierenliefhebbers zijn zo lief niet. Voeg je je niet naar hun apenliefde en krokodillentranen, dan ben je al snel een moordenaar die zelf vermoord moet worden, of verkracht, of zwaar mishandeld. Zelinskie: „Zelfs The Huffington Post deed mee. Maar zij rectificeerden, met een groot artikel.”

Ze houdt een ponyrolschaats omhoog. „Die komen uit mijn 3D-printer.” Ze wijst naar een gevalletje van een soort meccano. De printer. „Die heb ik zelf gebouwd. Hij heet WALL-E.” (Voor wie het niet meer weet: WALL-E is een Disney-vuilnisrobotje.)

Zelinskie is ook nog kunstenaar. Ze richt zich op de toekomst: „Als de mens is uitgestorven. Dan nemen de computers de wereld over. Wat de mensen tot de goden van morgen maakt.” Maar: „Robots need magic.” Daar voorziet zij vast in. Ze haalt een haarlok aan een usb-stick tevoorschijn. Hij beweegt terloops, als een levend wezentje, terwijl ze de lichtjes op zijn kleine circuitboard de lijnen van een Mondriaan laat volgen. Hij is het begin van een installatie. Zelinskie zal zelf per hologram uitleg geven aan het toekomstpubliek, daar werkt ze nu aan. Er liggen foto’s van de virtuele verjaardagspartij, die ze per Skype vierde. Laptops in een kring. Ik zie servetten met sprookjesprinsessen.

Ashley Zelinskie en Tinkebell zijn radicaal. Ze zijn wetenschappelijk geïnteresseerd, ambachtelijk onderlegd, filosofisch actief. Ze staan hun mannetje, en toch niet: hun verbeelding is zo subversief, realiseer ik me, juist omdát ze nadrukkelijk geen mannetjes zijn, maar meisjes. Waar ze geen punt van maken. Integendeel, en dat is het.

Meisjesdingen zie je vaker in de kunsten, het barst er van de barbiepoppen. Maar dan wel met de veilige dubbele bodem van camp of cynisme. Niet bij deze jonge vrouwen. Die hebben lak aan pretenties (hun lak zit op hun nagels).

En er zijn er meer. In het New Museum op Manhattan zie ik werk van de jonge Zweedse Klara Lidén. Heel anders en toch… In een video zie ik Lidén een fiets in elkaar tremmen. Eerst streelt haar knuppel de fiets langs zijn kettingkast. Tikt ’m teder tegen zijn trapper. En dan: mep!, vol in zijn frame. In haar installaties zie ik een meid die raad weet met ruimtes, bijvoorbeeld voor een zwarte meisjeskamer met een bijl aan de deur. Al bij al ontmaskert ze Plato’s grot als een kartonnen doos. Laten ze die maar eens vragen voor de Onderzeebootloods in Rotterdam. Als ze durven.