Reus die alle stijlen bindt

Gregory Porter is de stem van New Urban Jazz. Hij vult klassieke jazz aan met soul, r&b, blues en hiphop. Morgen treedt hij op in Rotterdam tijdens North Sea Jazz.

Amanda Kuyper

Muziekrecensent

Van uiterst lage, onderbuik beroerende bassen in een sluier van blues, tot uithalen met een ongelofelijke soulzwiep. Dat kan Gregory Porter (40), treffend muziekgeschiedenis en hedendaags geluid verbindend in een mengeling van jazz, soul en gospel.

Porter verraste in 2010 met zijn debuut Water. De mannenstem is in jazz altijd wat dun gezaaid. Wereldwijd worden de heren overschaduwd door een legioen aan zangeressen. Een Grammy-nominatie voor Best Jazz Vocal Album zette Gregory Porter in 2011 ineens op de internationale jazzkaart. Maar wie was die reus van een zanger, immer goed gekleed maar met een opmerkelijke skicap die enkel zijn bebaarde gezicht toont?

Een ontmoeting, middenin zijn Europese tournee, in een Brussels restaurant. Gregory Porter, die als kookliefhebber meteen zijn maaltijd fotografeert („doe ik overal in Europa”), vertelt hoe hij zijn vliegende start heeft doorstaan. „Na kleine optredens in bars deelde ik ineens grote podia met constant excellente musici als Wynton Marsalis. Het is beter dat gegeven niet te veel te analyseren, dat kan het muziekhart nauwelijks bevatten.”

Jazz en soul gaan hand in hand bij deze zanger, die op North Sea Jazz het thema New Urban Jazz vertegenwoordigt. Op zijn tweede cd Be Good laat Gregory Porter in persoonlijke teksten een cultureel bewustzijn zien. Het romantisch zwierende ‘Be Good’, het opzwepende ‘On My Way to Harlem’ waarin hij bezingt hoe hij „was baptized by a jazzman’s horn” en de in soul gevatte vraag aan zijn schoonouders om hun dochters hand (‘Real Good Hands’).

Zijn teksten zijn herinneringen en observaties. Een ontmoeting met een Russische escort aan een bar bleef hem bij. „Ik kwam er slechts een biertje halen, maar zij sprak me natuurlijk aan. En begon haar waren aan te prijzen. Verbaasd was zij toen ik niets wilde en enkel interesse in haar toonde als mens. Ik behandelde haar als een mens. Wie dat niet doet, kan betalen.”

Als een rivier van ideeën kan het in zijn muziek stromen. Van de puurheid van een melodie tot de baslijn en akkoorden. „Ik hoor de instrumenten en de kleurenharmonie allemaal al. Het is een positieve gekte om zoveel muziek in je hoofd te horen.”

Gregory Porter groeide op in een groot gezin met drie zussen en vijf broers, in Bakersfield boven Los Angeles. Hij is de zevende in de rij. „Alles wat mijn zus van drie jaar ouder deed, deed ik na. Koken leerde ik al op mijn zesde.” Zijn moeder was dominee. Ze was een aanspreekpunt in de buurt, bevriend met prostituees. „Het maakte voor haar niet uit hoe de situatie was, maar wat we ermee gingen doen. Zo wil ik ook zijn in mijn teksten.”

Er klinkt sociaal bewustzijn door in zijn teksten. De protestsong 1960 What? is daarvan een duidelijk voorbeeld. „The motor city is burning y’all – that ain’t right”, zingt hij gedreven over de aanslag op Martin Luther King in 1968 en de onlusten erna. In ‘The Lonely One’ gaat het over huiselijk geweld. Een man die een vrouw isoleert van haar familie en vrienden, en fysiek geweld gebruikt. De inspiratie kwam via zijn zussen en zijn moeder. „Ik zag hen in relaties die niet goed voor ze waren.” Gek genoeg, merkt hij op, is de reactie op dat nummer juist het omgekeerde van zwaarmoedig. „Door de groove dansen en knuffelen mensen erop.”

De gospel uit zijn jeugd, de zwarte Afro-Amerikaanse kerksound, heeft zijn muzikale kaders bepaald. Hoort hij soul, dan voert die terug naar gospel. En ook de blues doet hem denken aan de gospelcountry-blues van toen hij klein was. „Ik herinner me dat mijn stem op mijn negende best goed klonk. Zanger worden was echter geen serieus plan. Mijn broer zou advocaat worden en ik dokter. Op de universiteit, als student ‘city planning’, was zingen al vanzelfsprekender voor me. Mijn bijnaam was Luther, naar Luther Vandross.”

Theater heeft zijn zang helpen vormen. „Ik heb geleerd hoe ik het verhaal van een song vertel. Een acteur moet zich inleven in het onderwerp dat hij speelt. Dat moet een jazzvocalist ook doen. Ik ben nooit naar de gevangenis geweest, en mijn hart is natuurlijk ook nooit zó vaak gebroken geweest. Juist in de jazz kun je diepte opzoeken. Sarah Vaughan en Nat King Cole voerden iedereen mee naar emotionele diepten, hoog of laag.”

Onvermijdelijk is de vraag naar zijn bijzondere uiterlijk. Porter omhult niet voor niets zijn gezicht met een nauwsluitende muts. Gevraagd naar een, mogelijk medische, reden hult hij zich in stilzwijgen.

„Ik houd dat mysterie in stand”, ontwijkt hij wat dubbelzinnig. In de geschiedenis van de jazz zijn er genoeg ongewone jazzcats geweest. Zie hem maar als een volger van de excentrieke jazzmusicus Thelonious Monk.

Met een serieuze blik vervolgt de zanger: „Er zijn momenten dat ik naar mijn foto’s kijk en besef: dit is mijn imago. Zo maken mensen in andere landen kennis met mij. ” En dat valt de zanger soms niet mee.

In ‘Painted on Canvas’ gaat het over eerste indrukken, zo bepalend voor mensen. „Wat ik wil zeggen: gebruik een dunne kwast voor delicate eerste streken. Gooi niet gewoon maar wat verf. Je mist boeiende relaties met mensen als je je laat leiden door vooroordelen. Die grote, donkere man van wie je bang wordt als hij je lift binnenstapt... Geloof me, je zou mij juist graag in je lift willen als je vastzit.”

Dat zijn uit de mond van Gregory Porter niet zomaar woorden. Hij heeft genoeg meegemaakt in zijn jeugd. Bakersfield, met zijn zachte bries en de geur van jasmijn in het zuiden van Californië, is naast idyllisch een behoorlijk starre stad in een vrijdenkende staat. Volgens hem in alle opzichten vergelijkbaar met het conservatieve zuiden van de Verenigde Staten.

Hij legt uit dat zijn familie tijdens zijn jeugd geteisterd is door „racistische aanvallen”. „Een groep kerels smeet om de week volle bierflessen met urine bij ons door de ramen. Maar ook andere dingen: watermeloenen, pompoenen. Bomen in de tuin werden ’s nachts omgehakt. Vuilnis op onze stoep gedumpt. En ja, het brandende kruis in onze voortuin. Je weet wat dat symboliseert.”

De kinderen waren bang. Maar zijn moeder was sterk. „Zij liet ons telkens weten hoe bijzonder en mooi we waren.” Zijn boosheid heeft pas later in zijn leven een plaats gekregen. Bakersfield verliet hij op zijn achttiende. Zijn moeder stierf op zijn eenentwintigste. Zijn vader heeft nooit een rol gespeeld in zijn leven. Dat zal nog weleens leiden tot een nummer, vermoedt Porter. Vooralsnog had hij een paar jaar terug succes met een theaterstuk waarin hij persoonlijke ontboezemingen deed over hemzelf en zijn denkbeeldige vader, Nat King Cole.

„Toen ik als kind een liedje zong, zei mijn moeder dat ze me als Nat King Cole vond klinken. Ik ging me verdiepen en luisterde naar mijn moeders albums. In de liedjes hoorde ik vaderlijke adviezen terug: ‘Pick yourself up, take a deep breath, dust yourself off, start all over again’. Of ‘Smile, though your heart is aching...’ De tekst van ‘Nature Boy’. Nat sprak tot mij.”

Bovendien, zegt hij met zachte stem, Nat King Cole zag er echt heel aardig uit. „Die wil je wel als vader.”

New Urban Jazz met o.a. Gregory Porter, José James en Robert Glasper. Morgen in de Darlingzaal tijdens North Sea Jazz.