Meesterknecht van ‘Monsieur Chrono’

Rouen is finish- en startplaats in de Tour, als eerbetoon aan vijfvoudig winnaar Jacques Anquetil. Zijn meesterknecht Ab Geldermans droeg 50 jaar geleden geel en werd vijfde.

Ab Geldermans reed in de Tour van 1962 twee dagen in het geel en was in 1968 ploegleider van Jan Janssen, de eerste Nederlandse Tourwinnaar. Foto Cor Vos

Op slechts een paar honderd meter miste het Tourpeloton vanmorgen net na de start het imposante kasteel van Jacques Anquetil, in het gehuchtje La Neuville Chant d’Oisel bij Rouen. Voor de Nederlandse oud-renner Ab Geldermans kent Château Anquetil weinig geheimen. „Jacques heeft me er weleens rondgeleid ”, vertelt de voormalig meesterknecht van de in 1987 overleden vijfvoudig Tourwinnaar. „Zijn bedrijf, de landerijen in de heuvels rond Rouen. Indrukwekkend. Ik weet nog dat het personeel in een aparte ruimte at. En dan had hij ook nog een stuk grond aan de Rivièra, met bungalows erop.”

Vijftig jaar is het geleden dat Geldermans twee dagen in de gele leiderstrui reed in de Ronde van Frankrijk, om uiteindelijk als vijfde aan te komen in Parijs. Drie plakboeken liggen al klaar op de keukentafel in zijn huis in Beverwijk, vlakbij de plek waar hij in 1935 werd geboren als de jongste van negen kinderen. Schitterende foto op posterformaat ook, van die bijzondere Tour van 1962. Een zware beklimming in de Pyreneeën – „het zal de Aspin of de Peyresourde zijn geweest”. Met rugnummer vijf leidt hij de dans. In zijn wiel zwoegt een uitgedund groepje, met legendes als Raymond Poulidor, Charly Gaul, Féderico Bahamontes en Anquetil. „Het was mijn beste jaar in de Tour. Maar ik moest knechten voor Anquetil hè.”

Vrijdag 29 juni 1962, de zesde etappe in de Tour van Dinard naar Brest. „Mijn slapie Rudi Altig reed in het geel, er was een groep weg van een man of zeven, onze ploeg had niemand mee. ‘Spring er naartoe’, zei Rik van Looy tegen mij. Ik ging, maar bleef zwemmen op vijftig meter. ‘Zijt ge uw roeispanen vergeten’, lachte Rik toen ik terugviel in het peloton. ‘Vooruit, ga nog een keer.’ Toen was ik een beetje kwaad op hem. Ik sprong – pang, knal – achter een auto aan die voorbij kwam. Binnen een paar minuten was ik bij de kopgroep. Op de streep hadden we vijf minuten voor. En zo pakte ik de gele trui. ‘Allez bedankt manneke’, riep ik ’s avonds tegen Van Looy.”

Hoe je eind jaren vijftig begint aan een carrière als wielerprof? „Ik voetbalde bij BEM in Beverwijk met Wim Joosten, de vader van [tv-presentatrice] Astrid. Hij heeft me overgehaald een keer mee te gaan fietsen. Ik was zeventien en reed iedereen uit het wiel op een geleende fiets. Maar van mijn vader mocht ik geen wielrenner worden. Toen ben ik van huis weggelopen. Ik ging koersen, vond onderdak bij mensen in Brabant en schreef een kaart naar huis. Kreeg er één terug. Mijn vader overstag, ik mocht toch. Toen heb ik wel gehuild.”

Na een sterke amateurwedstrijd Warschau-Berlijn-Praag komt Geldermans in contact met de ploegleider van de Franse topper Roger Rivière. Zo vertrekt hij in 1957 per trein naar Parijs, „met alleen een zadel en m’n schoentjes”. De volgende dag helpt hij Rivière aan de zege en is er een contract bij de Franse topploeg Saint-Raphaël. „Voor vijftig gulden in de week.”

Wat goed is komt snel. In 1960 wint Geldermans de Ronde van Duitsland en vlak daarna de klassieker Luik-Bastenaken-Luik. „Daar had ik vlak daarvoor over gedroomd.” Een jaar later verslaat hij de erkend tijdritspecialist Anquetil in de Italiaanse etappekoers Menton-Rome. Na een twaalfde plaats bij zijn debuut gaat hij als outsider naar de Tour. „Kijk maar”, zegt hij bladerend in een plakboek. „Na Anquetil zijn Gaul en Geldermans de kanshebbers, schreven de kranten.” Tot een val in de zesde rit, op de Col de la Schlucht. „Lag ik ineens in een ziekenhuis in Belfort, jukbeen gebroken.”

Maar Anquetil weet genoeg. Die Geldermans kan hij maar beter bij zich in de ploeg hebben. „Ik vond het een eer voor Anquetil te rijden. In de Tour van 1961 droeg hij van begin tot einde het geel. Achteraf denk ik dat hij me misschien haalde omdat ik een bedreiging voor hem had kunnen worden.” Zoals Monsieur Chrono, zoals zijn bijnaam luidde, ook de sterke Duitser Altig en de Brit Tommy Simpson aan zich bond. „In de Tour van 1962 was het allen voor één”, zegt Geldermans. „Iedereen reed in dienst van Anquetil.”

Dus levert de Nederlander het geel na twee dagen zonder mopperen in, omdat hij die dag moet werken voor zijn Franse kopman. „Kampioenen als Hinault en Armstrong zeggen dat een uur in de gele trui al mooi is. Het is de meest prestigieuze trui in de wielersport. Ik heb hem twee dagen gedragen. Hij hangt nu bij mijn zoon in de fietswinkel.”

Nooit gedacht aan de Tourzege? „Ik reed geweldig die Tour. Anquetil hing in de bergen soms aan mijn broek. Later vraag je jezelf af of je de eerste Nederlandse Tourwinnaar had kunnen zijn. Ik moet bescheiden blijven. Nee. Ik was een denker, dat ben ik nog. De vraag blijft altijd of ik de druk had aangekund als de hele ploeg voor mij had gereden.”

Anquetil herkende hem eerst niet, toen hij Geldermans jaren later nog eens zag in de Tour. „Hij deelde handtekeningen uit en wilde mij er ook een geven. Toen zag hij het. ‘Albertus’, riep hij. Ja, dan omhels je elkaar en komen de tranen.” Zoals ook in 1987, toen Geldermans op de motor naast de auto van tv-commentator Anquetil schoof, die hem door het open raam vertelde dat hij ongeneeslijk ziek was. Maagkanker.

„Ik ben met Jan Janssen naar de begrafenis geweest”, vertelt Geldermans. „Een klein kerkhof in een dorpje boven Rouen. Zo’n grote vedette, alles gewonnen, pas 53 jaar. En dan sta je te kijken hoe hij uit de kerk wordt gedragen. Zie je een hond zijn poot optillen bij de kuil. Jezus. Zo gaat het leven, heel triest. Alles is betrekkelijk.”