Indiana Jones en de Tempel van Klassieke Muziek

Koninklijk en allochtoon – het is een vreemd begrippenpaar. Ogenschijnlijk. Want Prinses Máxima, beschermvrouwe van het Koninklijk Concertgebouworkest, is beide. En het orkest zelf is het met zijn 19 nationaliteiten óók – al ontbreken vooralsnog Turkse, Surinaamse of Marokkaanse musici.

Het is een lovenswaardig initiatief dat het veelal voor hoogopgeleide autochtonen spelende orkest met Forum, instituut voor multiculturele vraagstukken, jaarlijks een kennismakingsconcert voor ‘nieuwe Nederlanders’ organiseert. Muziek slaat bruggen tussen culturen. En eindelijk zat het Concertgebouw vol met publiek dat de Amsterdamse samenleving weerspiegelt. Bijlmerscholieren in feestjurkjes die zwaaiden naar Máxima (zij zwaaide enthousiast terug). Scooterdudes met armbandjes. Hindoestaanse High Potentials en Molukse ouderen. Veel nieuwkomers, leek, al stak maar één op de vijf de hand op toen orkestdirecteur Jan Raes informeerde wie het orkest voor het eerst ging horen.

De vraag is: wat speel je als je nieuwe zielen wilt winnen voor klassieke muziek? Het programma bood gisteren een potpourri van matige, ‘exotische’ stukken. Afrika van Saint-Saëns speelde het orkest nooit eerder, en vermoedelijk nooit weer. Datzelfde gold voor de Suite van Ahmet Adnan Saygun. Interessant werd het pas bij Prokofjevs balletmuziek Romeo en Julia. Saint-Saëns en Saygun boden wel slangbezwerende houtblazers en de nodige overmatige secundes, maar deden ook erg denken aan de soundtrack van Indiana Jones, al bleek de Palestijnse Saleem Abboud Ashkar een trefzeker pianovirtuoos en hield de Persisch-Duitse dirigent David Afkham alles keurig in de hand.

Maar het idee dat klassiek voor allochtonen exotisch moet zijn, is een rare denkkronkel. Kerken stroomden niet vol met de beatmis, muziektempels niet als je er matige muziek speelt. De volgende keer dus gewoon de suite uit Der Rosenkavalier met Mariss Jansons. Echte topkwaliteit enthousiasmeert sowieso grenzeloos – dat is nu juist het mooie.