Geef jaarcontractant de vertrekregeling van de topbestuurder

Een ontslagen wetenschapper komt moeilijk aan een nieuwe baan. Een ontslagen topbestuurder krijgt daarentegen een dikke vertrekpremie mee en mag zo weer ergens aan de slag. Het is tijd dat het parlement zich buigt over deze schrijnende ongelijkheid, stelt Henk Slechte.

Op dinsdag 26 juni bezocht ik een boekpresentatie, waar een gepromoveerde historica een boeiende lezing gaf. De spreekstalmeester memoreerde dat zij een oud-collega was, maar bijna niemand onder haar gehoor wist dat ze eerder dit jaar was ontslagen bij een wetenschappelijke instelling, in het kader van bezuinigingen.

Ze was niet de enige. Bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD), het Nationaal Archief en de Koninklijke Bibliotheek zijn dit jaar veel medewerkers met een arbeidscontract ontslagen, of hun contracten zijn niet vernieuwd. Het RKD kan bovendien gepensioneerde medewerkers niet vervangen.

Het gevolg is dat gepensioneerde medewerkers vrijwillig blijven werken. Dit delen al deze – bescheiden gehonoreerde, maar gemotiveerde – medewerkers op (jaar)contractbasis: het is gemakkelijker en goedkoper hen te ontslaan dan collega’s met een vaste aanstelling. Ze vertrekken niet wegens slecht functioneren, ze krijgen niets mee, en ze vinden niet of moeilijk een baan op een arbeidsmarkt vol hoogopgeleide wetenschappers wier contracten evenmin zijn vernieuwd.

Een dag later las ik op de website van het artsenvakblad Medisch Contact het jaarlijkse overzicht van de ziekenhuisbestuurders die in 2011 moesten vertrekken, met vermelding van hun vertrekpremies. Het waren er dertien. Ze kregen in totaal 3.300.000 euro mee, in de vorm van een premie en/of doorbetaald salaris – dit laatste om de gouden handdruk in de jaarverslagen niet te veel te laten opvallen.

Medisch Contact vermeldt ook de redenen van ieders vertrek. Deze lopen uiteen van de verantwoordelijkheid voor ernstige medische missers tot verschillen van inzicht of reorganisatie. Eén bestuurder was een jaar in dienst. Een andere moest in 2009 vertrekken bij ProRail met een premie van een half miljoen en zit inmiddels al weer op de bestuurdersstoel bij een ziekenhuis.

Ook deze mensen delen kwaliteiten: ze functioneerden slecht of waren overbodig geworden, en de wet laat toe dat ze hun contracten juridisch zo laten dichttimmeren dat ze zelfs na één hoogbetaald jaar een kwart miljoen euro meekrijgen. Van bestuurders die uit het onderwijs of de woningcorporaties – moeten – vertrekken, kunnen vergelijkbare lijstjes worden gemaakt.

Met ontslagen wetenschappelijke dienstverleners hebben weggestuurde bestuurders – oppervlakkig – gemeen dat ze werken op contractbasis, maar de bestuurders hebben langlopende contracten en de wetenschappelijke dienstverleners jaarcontracten. Deze worden jaarlijks beëindigd en pas vernieuwd na de voorgeschreven afkoelingsperiode van een aantal weken – voor eigen rekening – teneinde te ontkomen aan de plicht tot vaste aanstelling.

De verschillen zijn veel groter. De bestuurders moeten weg wegens falen, de wetenschappers wegens bezuinigingen. De bestuurders krijgen veel geld mee, de wetenschappers niets. De bestuurders vinden snel een nieuwe stoel, de wetenschappers komen langdurig in de WW. Natuurlijk verschilt hun verantwoordelijkheid, maar daarin voorziet het gigantische verschil in salariëring.

Dit roept de vraag op waarom de hooggeschoolde en dienstverlenende werknemer die op contractbasis bij een wetenschappelijke instelling werkt zelfs geen bescheiden vertrekregeling in zijn of haar contract krijgt, en de bestuurder bij een zorginstelling, onderwijskoepel of woningcorporatie wel. Is dit omdat toezichthouders vrezen anders geen bekwame bestuurders te krijgen, terwijl de directies van de wetenschappelijke instellingen weten dat de sollicitanten in de rij staan? Het zou kunnen. Of is het toch dat beruchte old boys network van politici en oud-politici en hoge (oud-)ambtenaren, die elkaar deze banen toespelen?

Het echte antwoord is alleen te krijgen in een parlementaire enquête. In een land dat zich een rechtsstaat noemt, is de volksvertegenwoordiging de enige die zo’n schrijnende rechtsongelijkheid kan oplossen.

Een kenmerk van de rechtsstaat is immers dat hij wetten heeft en handhaaft en op ieder bestuurlijk niveau als hoogste autoriteit gekozen volksvertegenwoordigers heeft. Zij vertegenwoordigen de burgers. Zij zijn de wetgevende macht. Zij worden geacht de uitvoerende macht te controleren. Zij debatteren in hun praathuis over het versoepelen van het ontslagrecht en het langer moeten blijven werken, wat ze naïef ‘hervormingen’ noemen. Zij lezen de burger de morele les.

Een van de meest minachtende kwalificaties die politici voor elkaars partijen gebruiken, is ‘populistisch’. Dit betekent dat een partij zijn standpunten bepaalt op basis van de geluiden die ze opvangt uit de onderbuik van de – ontevreden – burger. Op 12 september mag die burger al weer nieuwe vertegenwoordigers kiezen. Het zou me niet verbazen als het aantal populistische leden van het parlement weer sterk groeit. Hiervan wordt Nederland niet beter, maar dat hebben de partijen die zichzelf als niet-populistisch aanprijzen wel over het land afgeroepen!

Henk Slechte is historisch publicist en oud-gemeenteambtenaar in Rotterdam, Den Haag en Deventer.