De Bovenbazen (45)

De bediende betrad met stille tred de kamer waar de late herfstzon door het open venster zweefde. In het licht daarvan toefde heer Ollie, in zorgelijke gedachten verdiept.

‘Excuseer,’ sprak de knecht, ‘heb ik u goed verstaan, met uw welnemen?’

‘Kweetniet,’ prevelde heer Bommel opschrikkend. ‘Ik weet het niet, bedoel ik. Wát heb je verstaan?’

‘U begrijpt me best,’ hernam de bediende. ‘U wilde mij een schadevergoeding geven. Voor mijn ddt-aandeel dat u gelardeerd hebt, als ik zo vrijmoedig mag wezen…’

‘O, dat,’ zei heer Ollie. Hij greep naar zijn binnenzak; doch liet zijn hand weer zakken.

‘Het gaat niet,’ prevelde hij, terwijl een zenuwtrekje zijn wang bewoog. ‘Het spijt me, Joost. Het zou eh… het zou de geldmarkt in gevaar brengen, zegt aws. Geloof me, dit doet me meer pijn dan jou.’

‘Zeer wel,’ zei de ander koel. ‘Dan zie ik mij genoodzaakt mijn ontslag te nemen. Sta mij toe u succes te wensen op de geldmarkt. Vaarwel, heer Olivier.’

Na deze woorden verliet hij de kamer en zijn gewezen werkgever staarde hem verblekend na.

‘M-maar ik méén het!’ riep deze bijna schreiend. ‘Het doet me écht meer leed dan jou.’

Joost had de deur echter reeds achter zich gesloten en keerde niet terug.