Dan maar wielrenner

David wist het zeker. Als hij later groot was, dan zou hij postbode worden. Net als zijn vader, zijn moeder, zijn zussen, zijn ooms en zijn tantes. Vroeg op, het uniform van La Poste aan, een paar brieven rondbrengen en dan lekker op tijd klaar. Had hij ’s middags alle tijd om naar de hemel te kijken. Stapelwolken, regenbogen, die rare strepen die vliegtuigen veroorzaken – hij vond het allemaal prachtig. Maar het allerfijnste was het als het onweerde.

David Moncoutié is intussen groot. Hij is geen postbode geworden. En ook geen meteoroloog. David is wielrenner van beroep. Hoe dat is gebeurd snapt hij zelf ook niet.

Toen hij een jaar of 16 was deed hij mee aan een wedstrijdje, maar hij vond er niks aan. De andere jongens lachten om zijn fiets (vooruit, dat vlaggetje achterop was ook wel een beetje te veel van het goede) en om zijn voetbalkousen die hij had opgetrokken tot zijn knieën.

David wilde er zo snel mogelijk vanaf zijn en besloot zelf maar op kop te gaan rijden. Toen hij bij de finish achterom keek, zat er niemand meer in zijn wiel. Een bulk solo-overwinningen later lag er een profcontract onder zijn neus en stonden de kranten vol van De Eerste Franse Tourwinnaar Sinds Heel Lang Geleden. David had niet veel keus. Dan maar wielrenner.

Moncoutié is intussen 37. Hij koerst nog steeds, maar de Tour heeft hij nooit gewonnen. Dat had wel gekund, maar dan alleen als die had bestaan uit 21 individuele klimtijdritten, variërend tussen de 250 en 300 kilometer, bij voorkeur zonder één bocht in het parcours. David kan namelijk niet sprinten, niet tijdrijden en niet sturen (en dat is best lastig als je wielrenner bent).

Hij daalt af als een oud wijf en zijn bochtentechniek is brandhout. Hij is de enige prof die moet stoppen om zijn regenjackie aan te trekken. En in een peloton rijden kan hij niet; hij rijdt erachter of ervóór.

Zijn ploegleiders zijn opgehouden met proberen om hem iets te leren. David Moncoutié luistert maar naar één iemand: naar David Moncoutié. Hij hoeft geen tactische aanwijzingen, geen technische adviezen, en geen gebrul in zijn oortje. Hij wil geen druk. Geen kopmanschap. Geen poeha aan zijn hoofd. Bij contractonderhandelingen gaf hij ooit de helft van zijn salaris terug met de woorden: „Ik verdien liever de helft als je me dan met rust laat.”

Eigenlijk is David nooit echt wielrenner geworden. Hij is hooguit een wielertoerist, verdwaald in een wereld vol fanatici die in iedere bocht hun lijf en leden riskeren. Hij snapt ze niet. En zij snappen hem niet.

Ik heb ooit een week lang bij hem en zijn ploegmaten aan tafel gezeten. Hij sprak precies één zin met vijf woorden tijdens al die ontbijten, lunches en diners: Mag. Ik. Het. Zout. Alsjeblieft.

Gisteren fietste hij een dagje voor het peloton uit, in de kansloze ontsnapping van de dag.

Na afloop moest de voltallige Franse pers iets van hem. Moncoutié zat op een het trapje van zijn ploegbus terwijl de journalisten om hem heen drongen. Hij zei oui en non op hun vragen, zo zacht dat ze hem nauwelijks konden horen. Intussen tuurde hij afwezig naar de hemel. Het was raar weer. Veel wolken. Een beetje broeierig ook.

Wie weet zou het wel gaan onweren.

Thijs is NRC-sportredacteur en oud-wielrenner.