Column

Zwerfvuil

Theodore Dalrymple, de Engelse cultuurpessimist, heeft een boek geschreven over zwerfvuil: Litter (Andermans rotzooi in de vertaling). Aanleiding was de troep die hij als automobilist langs de weg van Glasgow naar Londen aantrof. In Trouw gaf hij over zijn boek een interview waarin de Herengracht in Amsterdam ter sprake kwam. Hij logeerde in het aan deze gracht gelegen Ambassadehotel.

„Vindt u de Herengracht smerig?” vroeg interviewer Margalith Kleijwegt. „Het is een prachtige gracht”, antwoordde Dalrymple, „maar er ligt veel afval. In allerlei hoeken en gaten zag ik blikjes, plastic flessen en verpakkingen. Veel meer dan een tijd geleden.”

Klopt dit, vroeg ik me af. Evenals Dalrymple heb ik een hekel aan zwerfvuil, maar bij cultuurpessimisten moet je altijd bedacht zijn op grove generalisaties en onverantwoorde speculaties – net als bij columnisten trouwens (veel columnisten zijn dan ook cultuurpessimisten).

Mijn recentste ergernis op straat in Amsterdam betrof een automobilist die stilhield langs de vluchtheuvel waar ik op mijn tram stond te wachten. Hij deed zijn raampje omlaag en haalde een plastic bakje te voorschijn. Vanuit zijn auto kon hij met zijn arm de opening van de afvalbak niet bereiken, daarom zette hij het plastic bakje er maar bovenop. Daarna zette hij, ongetwijfeld opgeruimd, zijn tocht voort.

Ik staarde verbluft naar het bakje, trok het voorzichtig naar me toe – er lag onder meer een afgekloven klokhuis in – en deponeerde het alsnog in de bak. Akela, ik had mijn best weer gedaan.

Mocht ik nu uit dit incident concluderen dat een grote meerderheid van automobilisten in Amsterdam zijn rotzooi op straat gooit? Het leek me moeilijk waar te maken, maar met de bewering van Dalrymple lag het anders: ik hoefde mijn schoenen maar aan te doen en mijn ogen de kost te geven.

Dat heb ik gistermiddag gedaan: de hele Herengracht in de volle breedte en aan beide kanten afgelopen, een drenteltocht van tweemaal vijf kwartier.

Ik begon bij het begin, de Herengracht vanaf de Brouwersgracht. Het zag er daar goed uit, alleen een doos met lege flessen en wat rommel onderaan de trappen van huizen. Was het er viezer geweest, dan zou dat onherroepelijk gevolgen hebben gehad voor het opzienbarende, lichtgevende zomerpak waarmee advocaat Theo Hiddema plotseling in mijn blikveld verscheen. Het contrast tussen zijn licht chagrijnige gezichtsuitdrukking en de fleurigheid van zijn pakken stemt mij altijd vrolijk.

Pas voorbij de Leidsestraat ging het echt even mis. Langs de straat stond de afgedankte rode sofa die als zwerfvuil een ware triomftocht door de stad maakt: hij duikt steeds op andere plaatsen op. Ernaast lag een bevlekt matras. Ik hoorde Dalrymple wenen.

Maar daarna rehabiliteerde de Herengracht zich met honderden strekkende meters zonder straatvuil van betekenis. Het enige wat opviel, was de reportagewagen van de NOS voor het kantoor van Hiddema’s collega Bram Moszkowicz. Binnen moesten vermoedelijk andere vuiltjes worden weggewerkt, zodat we ’s avonds konden vernemen dat er niets aan de hand was.

Alleen waar de Herengracht het Rembrandtplein nadert, moest ik nog enkele boetes uitdelen voor onnodig straatvuil. Cabaretier Jan Jaap van der Wal bezag op dat moment de gracht vanaf het terrasje van restaurant P. King. Hij leek zich nergens druk over te maken.

Sorry, meneer Dalrymple, met die Herengracht valt het reuze mee.