Thuis is 'on the road' voor Rojer

De Curaçaose tennisser Rojer werd gisteren met zijn Pakistaanse dubbelpartner uitgeschakeld. Eind juli staat hij als Nederlander op de Spelen, ook in Londen.

Veel verder weg van deelname aan de Olympische Spelen kon Jean-Julien Rojer niet zijn toen hij vijf jaar geleden zijn tennisracket opborg. Hij was klaar met de sport, klaar met het vele reizen en het harde trainen. „Ik was een beetje moe”, zegt hij. „Noem het een burn-out.” Hoger dan plaats 218 op de wereldranglijst voor enkelspelers zat er niet in, dus waarom al die opoffering? Hij hield zijn lichaam nog wel in conditie. „Maar vooral om een goede body te hebben op het strand”, lacht de dertigjarige dubbelspeler uit Curaçao in Londen.

Het duurde gistermiddag even voor de sympathieke Antilliaan het chagrijn van zich had afgelegd. Het is een uur na de nederlaag tegen een ongeplaatst duo in de derde ronde van het dubbeltoernooi op Wimbledon. Kort na de hervatting van de partij, die maandag bij een 2-0 setachterstand wegens de regen werd onderbroken, overleefde Rojer met zijn Pakistaanse partner Aisam-Ul-Haq Qureshi een matchpoint. Pas in de vijfde set ging het gisteren alsnog mis voor het als achtste geplaatste tennisduo. „Ik had beter moeten serveren in die laatste servicegame”, legt Rojer voorzichtig de schuld bij zichzelf.

Vorige week maakte de internationale tennisfederatie bekend dat hij met Robin Haase mag meedoen aan het dubbeltoernooi op de Spelen in Londen. Maar het vooruitzicht dat hij over drie weken tijdens de Spelen opnieuw op het gras van Wimbledon speelt, biedt nu even weinig troost. „Ik kan nu even niet aan tennis denken.” Pas na verloop van tijd schraapt hij zichzelf bijeen en volgen de „dankbaarheid” en de „waardering” voor de mogelijkheid die Nederland hem biedt.

Samen met eilandgenoot Churandy Martina, de atleet die dit weekend in Helsinki de Europese titel won op de 200 meter, loopt hij over drie weken bij de openingsceremonie achter de Nederlandse vlag. „Ik heb Churandy niet gevolgd, nee. Heeft hij het goed gedaan? Wij hebben eigenlijk nauwelijks contact. Maar ik zie hem straks wel in het olympische dorp.”

Curaçao heeft nog geen 150.000 bewoners. Ons kent ons, zegt Rojer. Zelf komt hij er nog maar sporadisch. De moeilijkste vraag voor hem is misschien wel deze: waar is thuis? „Tja. Thuis is on the road. Ik woon in Miami, maar ik kom daar niet vaak. Op Curaçao kom ik nog maar twee, drie keer per jaar. Ik denk dat ik het meest in Nederland ben. Als ik toernooien in Europa heb, is Amsterdam mijn basis. Daar woont mijn vriendin.”

De landen waarin hij zijn juniorentoernooien speelde, lezen als het reisschema van een minicruise: Jamaica, Barbados, Trinidad en Tobago. Maar naarmate hij ouder werd, begon het gebrek aan puur talent hem op te breken. „Ik heb resultaten nodig. Ik was unfair naar mezelf toe, want ik ben niet de beste speler, maar ik verwacht wel veel van mezelf. In het enkelspel kwam ik tekort. De doorbraak kwam niet.”

Hij had de sport al vaarwel gezegd, toen een tennisvriend hem overhaalde in het dubbelen een nieuwe start te maken. „De ranking en de punten maakten niet uit, zolang we maar wat geld verdienden. Gewoon genieten, geen druk, lekker reizen. Dat was het probleem als enkelspeler. Ik legde mezelf te veel druk op. Ik genoot altijd al van het dubbelspel, al bij de junioren. Inmiddels is dubbelen mijn werk en moet ik er van leven. Maar het is fijn om met een partner te werken, met wie je kunt praten en grappen maken.”

Toen de Nederlandse Antillen in 2010 ophielden te bestaan, kon Rojer de overstap maken naar het Nederlandse landenteam. „Curaçao kon niet meedoen aan de Davis Cup, ik had dus geen vlag om onder te spelen. Toen dacht ik: nu is het juiste moment om voor Nederland te kiezen.” De Nederlandse non-playingcaptain Jan Siemerink stelde Rojer begin van dit jaar voor het eerst op in de gewonnen Davis-Cupwedstrijd tegen Finland.

Zijn Nederlands wisselt hij af met Engels en daarvoor verontschuldigt hij zich. Want Rojer voelt zich intussen echt wel ‘Hollands’. „In Miami wonen veel Cubanen die erg trots zijn op hun eiland. Maar Miami geeft ze een kans op een life. Dus ze beschouwen zich in sommige opzichten toch Miamians. Zo probeer ik het uit te leggen. Als je van een klein eiland als Curaçao komt, is het moeilijk een kans te krijgen op de Spelen. Een droom die uitkomt.”