Radio

Als je het kantoor normaal gesproken altijd tegen vijven verlaat, sta je deze maand elke dag voor de vraag: kijk je de Touretappe nog even af op het werk, of reis je alvast naar huis en zet je onderweg Radio 1 aan?

Meer dan eens heb ik mijn werkdag kunstmatig verlengd. Je wil toch even zien hoe de 22-jarige Peter Sagan iedereen weer verbluffend uit het wiel rijdt bij een aankomst bergop. Zijn manier van juichen – met de armen zwaaien als een hardloper, geïnspireerd op Forrest Gump – zou nog weleens navolging kunnen krijgen, zoals vele voetballers na een doelpunt hun pasgeboren kind verwelkomen met het gebaar dat ze hebben afgekeken van de Braziliaan Bebeto. Die wiegde met zijn armen na zijn treffer tegen Nederland op het WK van 1994.

Dat zie je allemaal niet op de radio.

Toch zag ik de machtige aankomst van Sagan pas ’s avonds laat. Ik had het erop gewaagd. Alles aan zo’n radioverslag is opgewonden, van de verslaggevers die berichten over valpartijen en demarrages tot het trompetgeschal dat hun commentaar bij tijd en wijle onderbreekt. En verdomd, het werkt. Op de tv had ik wellicht gezien dat de uitlooppoging van Sylvain Chavanel bij voorbaat kansloos was, maar op de radio leek het heel wat. De verslaggevers haalden aan hoe de Fransman talloze malen nationaal kampioen was geworden in Boulogne-sur-Mer, de aankomstplaats van vandaag. Als luisteraar dacht je dat het niet meer mis kon gaan, totdat Sagan – die “dekselse” Sagan, zou Evert ten Napel zeggen – hem ineens voorbijreed en iedereen de baas was.

Je hoort het niet aankomen, en dat maakt het des te spannender. Natuurlijk weet ik dat radioverslaggever Theo Koomen (1929-1984) soms de feiten verzon of bijkleurde, maar Gio Lippens vertrouw ik volkomen. Als hij zegt dat Raborenner Maarten Tjallingii zijn heup breekt, dan is het zo.

Als elfjarige hoorde ik op de radio eens het verslag van een zeer spannende aankomst van een etappe. Verslaggevers hebben de neiging om heel vaak de naam te noemen van de renner die lijkt te zullen winnen. Dat ging als volgt: “Jelle Nijdam! Jelle Nijdam! Jelle Nijdam! Jelle Nijdam! Jelle Nijdam! Jelle Nijdam! En het wordt… Thierry Marie!”

Je had erbij moeten zijn.