Leer de taal, kom op tijd, open je brief

Met ‘frontlijnteams’ helpt Rotterdam gezinnen met problemen. Niks afwachten – eropaf! „Hoe dichter je bij de mensen opereert, hoe beter zicht je hebt op de situatie.”

„Carlos! Hier komen!” In de nauwe huiskamer van Lydia Vink (40) rent kleuter Carlos rond met een voetbal. Hij schopt tegen de banken aan. Tegen het wasrek vol gekleurde topjes en onderbroeken. Als Carlos met de bal op de plasma-tv afloopt, schreeuwt zijn moeder: „Afblijven!” Carlos rent weg.

Lydia Vink zit op een laag krukje in haar driekamerappartement in Rotterdam-Zuid. Ze draagt een blauwe trainingsbroek met vlekken erop. Tegenover haar op de bank zitten Havva Demir (24) en Charlotte Habibuw (24), twee stagiaires van het ‘frontlijnteam’ van de gemeente Rotterdam. Dit team levert hulp aan huis bij vierhonderd kwetsbare gezinnen in achterstandswijken.

Hulp kan Vink goed gebruiken. De Antilliaanse is verslaafd geweest aan drugs. Nu is ze alleenstaande moeder van twee kinderen en zit ze in de schuldsanering. Per week heeft het gezin 100 euro te besteden.

Toch kocht Vink vorige week voor 55 euro aan postzegels – de helft van haar weekbudget. „Dom van me”, zegt ze op de bank tegen Demir en Habibuw, „het leek me wel een mooie aanbieding”.

„Al geprobeerd om de aankoop terug te draaien?”, vraagt Demir.

Ja, dat heeft ze al gedaan. Van het bedrijf kreeg Vink te horen dat ze een formulier moest invullen. „Ik zei: waarom een formulier? Geef gewoon mijn geld terug!”

„Dat gaat niet zomaar”, legt Demir uit.

„Nee, dat zei die vrouw van het bedrijf ook”, zucht Vink. „Ik zei haar: luister dame, ik weet zeker dat ik veel ouder ben dan jij. Behandel mij niet als een jojo!”

Demir en Habibuw kijken elkaar aan. „Heeft u dat formulier hier? Dan vullen we het samen in.” Vink knikt.

Een telefoongesprek voeren, een brief opsturen: het zijn vaardigheden die niet voor iedereen vanzelfsprekend zijn, weet Sjef Czyzewski, directeur van Bouman GGZ. Rotterdam telt zo’n 30.000 mensen die zorginstanties mijden of de weg erheen niet kunnen vinden. „Deze mensen komen niet naar loketten die de overheid voor ze heeft ingericht, want ze hebben andere dingen aan hun hoofd”, zegt Czyzewski. „Vaak spreken ze de taal niet. Post komt ongeopend op een berg terecht. Het is een kluwen van problemen waar ze in terecht zijn gekomen.”

Daarnaast wordt er heel ongezond gegeten, zegt Czyzewski. Het leidt tot een aanmerkelijk lagere levensverwachting in deze gezinnen, bleek in 2010 uit het Nationaal Kompas Volksgezondheid. Laagopgeleiden die kampen met armoede, werkloosheid en eenzaamheid leven gemiddeld 6,9 jaar (mannen) of 5,7 jaar (vrouwen) korter.

In Rotterdam krijgen deze inwoners hulp tot achter de voordeur. Frontlijnteams helpen bij opvoedproblemen en praktische zaken, zoals het invullen van formulieren. Ook worden kwetsbare gezinnen met een dvd wegwijs gemaakt in de Nederlandse hulpinstanties. Belangrijkste lessen uit het filmpje: leer de taal spreken, kom op tijd bij afspraken en open altijd je brieven. Czyzewski: „Hoe simpeler de informatie, hoe beter.”

Cultuurpsycholoog Jos van der Lans ziet dat de ‘frontlijnaanpak’ op steeds meer plekken in Nederland navolging krijgt. Het voormalig Eerste Kamerlid van GroenLinks schreef het boek Eropaf! over deze trend.

De sociale hulpverlening raakt er langzaam van overtuigd dat er „te veel versnippering” is, zegt Van der Lans. „Als een enorme reeks instanties zich met één gezin bemoeit, werkt dat averechts. Je krijgt een ingewikkeld verkeer van hulpverleners waarin niemand eindverantwoordelijk is. Mensen gaan langs elkaar heen werken.”

Veel beter werkt de frontlijnaanpak, waarbij hulpverleners mensen thuis opzoeken in plaats van af te wachten tot ze naar een spreekuur komen. Van der Lans: „Je ziet vaak dat er meerdere problemen spelen. Je kunt een gezin niet opknippen in een stukje jeugdzorg, een stukje welzijn en een stukje psychische hulp. Hoe dichter je bij de mensen opereert, hoe beter zicht je hebt op de situatie.” Behalve Rotterdam heeft ook Leeuwarden frontlijnteams opgericht. In Amsterdam, Enschede en Eindhoven lopen sociale wijkteams rond die op een soortgelijke manier werken.

Vink is tevreden over de aanpak. Voorheen had ze met drie instanties te maken. „Dat gaf rommel in mijn hoofd.” Nu heeft ze een wekelijks gesprek met Charlotte Habibuw, haar vaste frontlijnmedewerkster. Zij onderhoudt het contact met andere instanties, zoals welzijnsinstelling Humanitas die haar financiën beheert. Daarover heeft Vink trouwens nog wel een klacht. „Humanitas geeft mij hoofdpijn”, zegt ze. „Ik heb een nieuwe stofzuiger nodig. Maar die vrouw van Humanitas zegt: ik heb niks op me zadel. Of hoe zei ze het nou?”

Habibuw: „Saldo?”

Vink: „Saldo, ja. Ik heb niks op me saldo. Wat betekent dat nou weer?”