Hoe mijn vader metalhead werd

Ieder jaar gaan de Provoosten naar een schimmig concertzaaltje of een modderige festivalweide op zoek naar één ding: M-E-T-A-L!

Muziekrecensent

Er zijn een paar momenten in je leven waarop je zeker weet: ik begrijp niets van mijn vader.

Eén van die momenten beleefde ik op 1 december 1997. Mijn broer en ik stonden in de Melkweg in Amsterdam te headbangen bij een optreden van Helmet. Een snoeihard bombardement van minimalistische metal blies de zaal aan flarden. Zelfs zanger-gitarist en beroeps-chagrijn Page Hamilton scheen het naar zijn zin te hebben. Voor de toegift begon hij zowaar moppen te tappen („Kenny G komt bij de dokter…”). Daarna zette hij In The Meantime in: een masterclass hoe je met welgeteld één laaggestemd D-akkoord een episch beukend nummer bouwt. Armen vlogen in de lucht, nekken zwiepten heen en weer. We waren gelukkig.

En toen keek ik opzij. Daar stond ie dan. Mijn pa. En uit zijn oor stak een spijker.

Het was het enige attribuut dat hij in zijn broekzak had kunnen vinden om de klemzittende prop papier (een voorgekauwd benzinebonnetje om het geluid te dempen, zo zou later blijken) uit zijn gehoorgang te peuteren. Of ik misschien even wilde helpen. Sindsdien nemen mijn broer en ik altijd een extra setje oordoppen mee.

Minstens eenmaal per jaar krijgt vader Adrie (62) van zijn zonen een optreden cadeau. Voor alle duidelijkheid: dat is geen concert inclusief comfortabel rood pluche, garderobe en een goed glas wijn in de pauze. Nee, de Provoosten gaan naar een schimmig concertzaaltje of een modderige festivalweide op zoek naar één ding: M-E-T-A-L!

Een paar weken geleden was het weer zover. Op Fortarock, Neerlands enig overgebleven metalfest in Nijmegen, genoten we met gebalde vuisten van de zon, lauwe bekers festivalbier, Anthrax, Meshuggah, Lamb of God en Machine Head. Na die warming up werd het tijd voor de grote finale, de oppergoden (herstel: oppersatans) van de thrash: Slayer. Adrie zag ze voor de derde keer. Tijdens Hell awaits, hun zoveelste lofzang op de duivel, pakte hij zijn mobieltje en belde naar mijn moeder. „Your souls are damned!”, schreeuwde zanger-bassist Tom Araya. „The reaper guard’s the darkened gates that Satan calls his home.” SLÉÉÉÉÉÉ-JÛÛÛÛÛR!!! brulde pa in zijn telefoon. En dat we met zijn allen zo genoten.

Dat ritueel heeft zich de laatste vijftien jaar herhaald bij onder meer: Metallica, Motörhead, Sepultura, Gorefest, Life of Agony, AC/DC, Deftones, Iron Maiden, Tool, Mastodon, Fu Manchu en Entombed. Voor leken is het waarschijnlijk allemaal één pot teringherrie. Maar niet voor Adrie. Hij heeft namelijk een specifieke wensenlijst. 1. Het moet een behoorlijk tempo hebben; ultratrage doom metal of death metal vallen dus af. 2. Ergens – ook na lang en zorgvuldig zoeken – moet een goede melodielijn verstopt zitten. 3. Het belangrijkste: er moeten genoeg afgedempte gitaarpartijen te horen zijn. Dat zijn de stukken waarin akkoorden klinken alsof ze boomstammen doorzagen. Dan hoor je alleen: Hun-hun-hun-hun. Hun-hun-hun-hun. Hun-hun-hun-hun. Hun-hun-hun-hun. Dat is waar mijn pa het hardst op gaat. Het is ook waar zijn liefde voor metal is begonnen – bij de meesters van het stammenzagen: Metallica.

Even terug. Want hoe kon het zo ver komen? Hoe wordt een brave Zeeuwse dijkenbouwer met bijna veertig dienstjaren bij het waterschap een metalhead? Om te beginnen stonden er vroeger thuis – naast Strauss en Boudewijn de Groot – al wel wat stevige platen in de kast. Maar veel harder dan Focus, Procol Harum of Deep Purple werd het niet.

En tja, toen werden de zonen groot. Na een opvoeding van Beatles, Beach Boys en Kinks groeide met het aantal hormonen ook de behoefte aan hard-harder-hardst. Op mijn tiende verfoeide ik klasgenoten die dweepten met Doe Maar. Ik was namelijk fan van de allerhardste en ruigste band van allemaal: Normaal. In de brugklas werden dat: AC/DC, Guns N’ Roses en Iron Maiden. En halleluja, toen kwam er opeens hardrock uit de radio, iedere dinsdagavond bij Vara’s Vuurwerk, een dag eerder bij Metalopolis (op Studio Brussel, in Zeeland prima te ontvangen). De collectie zelfopgenomen cassettebandjes (Slayer! Venom! Dirty Rotten Imbeciles!) groeide, net als het wapperhaar.

De indoctrinatie moet toen zijn begonnen, al leek Adrie dat aanvankelijk nog niet door te hebben. Als mijn broer en ik tijdens het huiswerk boven onze boxen lieten blazen en hij onder aan de trap vergeefs had staan roepen, trok hij uiteindelijk de stoppen eruit. Softie.

Maar toen kwam De Grote Bekering: Freddy Mercury ging dood. En bij het grote herdenkingsconcert voor de Queen-zanger, in Wembley, mocht Metallica optreden – net nadat ze hun meest toegankelijke plaat hadden gemaakt: Metallica (1991), beter bekend als The Black Album. Na Enter sandman was er geen weg meer terug, geheel zoals het refrein had voorspeld: „Exit light, enter night. Take my hand. We’re off to never-never land.” Voortaan was onze pa into metal.

En metal zijn, dat doe je niet enkel thuis achter je stereo, daar moet je ook voor op pad. Toen mijn broer en ik het nog nodig vonden om ons stagedivend en/of crowdsurfend in de mosh pit te slingeren, keek hij toe vanaf de tribune. Maar gaandeweg draaiden de rollen om. Op het metalfest Field of Rock waren wij hem kwijt. Keken wij in een van de tenten naar Prong, stond hij ergens op het veld vooraan te genieten bij een vechtpartij.

Want los van alle muzikale hoogtepunten is een dagje tussen de hardrockers ook een sociaal avontuur. Ook op Fortarock kreeg hij – als doodnormaal ogende burger in een zee van vampieren, satanisten, bikers, emo’s, screamo’s, goths en stoners – een warm onthaal. Bij de dranktent trakteerde een volkomen onbekende hem op high fives, om zich meteen te verontschuldigen dat hij niet langer kon blijven: hij wilde namelijk vooraan staan bij het optreden van Machine Head. Even later klopte een ander hem op de schouder. „Moet je zien”, zei hij wijzend op het veld dat volstroomde met bebaarde langharigen. „Daar komen de zombies.” Een halflam zwaargewicht met piercings tot in zijn pet kwam met een belangrijke vraag: hoe heette de tweede plaat van Pantera ook weer? Na een kwartier viel hij mijn vader in de armen en stamelde spetterend: „Mooi da ghe d’r bunt.” Zo wordt een metalfest ook een soort antropologisch veldwerk.

Toegegeven: het is misschien ook voer voor psychologen. Wellicht lijdt onze vader aan een ‘metalmidlifecrisis’. Misschien is het niet normaal dat mijn broer en ik zich nooit fatsoenlijk tegen hem hebben afgezet. Waarschijnlijk moet je een generatiekloof niet met Metallica dichten. Aan de andere kant: het is een heel aanlokkelijk alternatief vergeleken bij de ‘normale’ midlifecrisis (vreemdgaan, motor rijden, tatoeages nemen). En hoewel het (nog) ontbreekt aan een significante onderbouwing leidde een twintigjarige metaltherapie niet alleen tot een uitstekend huwelijk, het voorkwam ook ruzies, depressies of andere zwarte gaten. Altijd maar gelukkig: analyze that!

Ik heb maar één echt grote angst: met welke muziek mijn zonen (6, 10) me straks zullen bestoken.