Eén tand, één knuffel, twee huizen

20 procent van de kinderen pendelt tussen de ouders heen en weer. Regel je het goed, dan heeft co-ouderschap zelfs voordelen, weet NRC-redacteur Janna Laeven.

Mijn zoon was precies een half toen zijn vader en ik uit elkaar gingen. Hij had één tand, nog nauwelijks haren, en ineens twee ledikantjes en twee kinderwagens.

Daar ben ik niet trots op. Mijn ouders zijn gelukkig getrouwd, mijn eigen kindertijd was er een zonder onvertogen woord (ik herinner mij geen enkele ruzie met of tussen mijn ouders, en welgeteld één met mijn zusje, over de Playmobil). Zo’n jeugd had mijn zoon ook moeten krijgen.

Wel trots ben ik op het co-ouderschap dat zijn vader en ik hebben. Want al is dat niet altijd makkelijk, ik geloof dat dit het beste is voor mijn kind. Om niet alleen met papa te zijn voor een tweewekelijks bezoekje aan Artis, maar ook aan diens hand voor het eerst naar de tandarts te gaan. Of aan de mijne, net hoe dat uitkomt.

Het leven dat mijn zoon leidt, wordt steeds minder ongewoon. In 2010 deed scheidingsonderzoeker Ed Spruijt van de Universiteit Utrecht een onderzoek onder meer dan 4.000 scholieren over hun thuissituatie. Meer dan 20 procent van hen bleek in een co-oudersituatie te wonen, waar dat tien jaar geleden nog maar 5 procent was. (De officiële cijfers van het CBS liggen veel lager, omdat het CBS zich baseert op gegevens van gemeenten. Die ‘snappen’ de co-ouderconstructie nog niet; in de basisadministratie kan een kind maar op één adres ingeschreven zijn.)

Nadelen zijn er. Zeker. „Waarom heb ik toch zoveel huizen?”, moppert mijn driejarige kind terwijl hij zijn mini’s van Albert Heijn verdeelt in stapels – een om winkeltje mee te spelen bij zijn vader, een voor bij mij, en een voor bij opa en oma, wier huis hij voor het gemak ook als dat van zichzelf beschouwt. Mijn suggestie alle mini’s in één winkel te houden, wijst hij resoluut van de hand. Zijn vader heeft ook recht op die minuscule pot pindakaas.

Soms moet ik onze keuze voor co-ouderschap verdedigen: zeker voor een kind onder de vier jaar zou het volgens sommigen te onrustig, of zelfs schadelijk zijn. Het klopt dat op en neer bewegen tussen twee slaapkamers onrust oplevert – en praktische bezwaren. Vaak fietst vader of ik vlak voor kinderbedtijd nog naar de ander omdat Leeuwtje vergeten is. En zonder Leeuwtje is slapen uitgesloten.

Ook voor ons als ouders zijn er schaduwzijden. Buiten het grootste nadeel – een deel van de week je jonge kind te moeten missen en daarmee heel veel ‘eerste keren’ – houden we elkaar in gijzeling. Door onze eigen afspraken, vastgelegd in het tegenwoordig verplichte ‘ouderschapsplan’. Daarin spraken we af nooit verder dan op fietsafstand van elkaar te gaan wonen, waardoor we nu nog zeker vijftien jaar veroordeeld zijn tot de krappe woningen in Amsterdam-West; de kans dat we tegelijkertijd een baan in een andere stad willen én vinden is immers verwaarloosbaar.

Toch is het voor ons de moeite waard. Volgens onderzoeker Spruijt gaat het met ‘co-ouderkinderen’ ongeveer even goed als met kinderen die alleen bij hun moeder blijven wonen; doorgaans hebben exen die voor co-ouderschap kiezen relatief minder ruzie dan exen die dat niet doen (en hoe minder ruzie, hoe beter, uiteraard). Dat het niet béter met de co-kinderen gaat, komt vooral doordat ze blijven hopen op hereniging van hun ouders, schrijft Spruijt in Handboek Scheiden en de Kinderen.

We volgen de geboden die Spruijt in zijn boek beschrijft. Nooit kwaadspreken over de andere ouder. Nooit je kind als boodschapper gebruiken. Nooit je kind als steun en toeverlaat zien. En we voegden er nog wat eigen gewoonten aan toe, zoals dagelijks contact houden via Whatsapp over wat zoon aan het doen is. Zo delen we cruciale momenten met de enige persoon die even belangrijk en bijzonder is – enthousiaste opa’s en oma’s voldoen niet. Papa stuurt mij een onsmakelijke foto van een poepje in een potje (eindelijk!). Ik stuur papa een onnavolgbare peuteruitspraak („Weet je, Jezus is een koprol”).

Zolang we ons aan die basisregels houden, werkt het co-ouderen goed. Ons kind profiteert ervan, want hij hoeft geen partij te kiezen voor een van zijn ouders, noch raakt hij van een van ons vervreemd. Wij profiteren ervan, want de kosten en zorgtaken zijn gelijk over ons verdeeld en we kunnen allebei genoeg tijd met hem doorbrengen. En soms is het stiekem (zeg ik dit hardop?) ook wel fijn die paar dagen lós van je kind te zijn. Zodat je tijd hebt voor een avond stappen. Voor sport. De liefde. Om daarna weer met nieuwe energie de zindelijkheidstraining voort te zetten, of het beloofde winkeltje te bouwen voor de AH-mini’s.