De Bovenbazen (44)

‘Had jij ddt-aandelen?’ vroeg heer Bommel betrekkend. ‘Hm, dat is nu toch jammer. Ik bedoel; die zijn gefuneerd. Aangezogen door een Sanatie…’

‘Zoals u wilt,’ prevelde Joost. ‘Maar mijn spaarcenten zijn weg.’

‘Door mijn schuld!’ hernam heer Ollie bewogen. Hij trok zijn portefeuille en voer voort: ‘Dat gaat niet, ik zal je de schade vergoeden, hoor. Geld speelt voor een heer geen rol. Kijk, hier hier heb je…’

‘Eén ogenblikje,’ sprak de heer Steinhacker. ‘Geld speelt de hoofdrol: leer dat van mij. Geen schenkingen aan onvermogenden! Dat zou de geldmarkt in gevaar brengen, begrepen? Onthoud dat!’ Na deze woorden wendde hij zich om en stapte terug naar zijn automobiel. ‘Pas op, als ik het merk!’ riep hij nog.

Heer Bommel zakte in – en terwijl hij zijn portefeuille weer in zijn jas liet glijden, liep hij haastig naar de stoep.

‘’t Spijt me, Joost,’ mompelde hij bij het passeren. ‘Het gaat niet. Het zou de geldmarkt in gevaar brengen.’

De bediende Joost liet getroffen de opgeheven arm zakken en keek zijn werkgever met gemengde gevoelens na.

‘Zéér betreurenswaardig,’ sprak hij met dunne lippen. ‘Ik zal genoodzaakt zijn om mijn ontslag aan te bieden, als ik zo vrij mag wezen.’

‘Meen je dat?’ vroeg Tom Poes.

‘Ja,’ zei Joost. ‘Niet om het geld, jonge heer. Daar zou ik overheen stappen. Maar omdat geld een hoofdrol speelt voor heer Olivier. Kijk, dat schokt me, met uw welnemen.’