Bienvenue chez les Ch'tis

Het probleem met Frankrijk is dat er een bovenkant aan zit. Ik weet niet wie dit land verzonnen heeft, maar hij of zij heeft alle mooie dingen aan de onderkant gegeven. Het zuiden heeft alle, maar dan ook álle fijne dingen gekregen: de zon, de stranden, de platanen, de mooie vrouwen, het lekkere eten, de kabbelende riviertjes en de pittoreske dorpspleintjes.

Het noorden moet het doen met de kliekjes. Bretagne, Normandië, Picardië – het is drie keer niks. Net als de Ardennen trouwens.

Neem nu het weer. Het regent hier altijd, zelfs als het niet regent. De hemel is grijs, zwart, of grijszwart – meer smaken zijn er niet. De autochtone bevolking (een stam die ook wel de Ch’tis wordt genoemd) ziet de zon alleen op televisie of in reclamefolders. Hun humeur lijkt sprekend op het weer: iedereen loopt hier met een donderwolk boven zijn hoofd. De gezichten staan zonder uitzondering op standje Maarten van Rossum.

Met ze praten is dan ook niet aan te raden. Een gesprek met een Ch’ti is net zoiets als een conversatie met een Neanderthaler: je krijgt alleen gegrom terug en je mag blij zijn als het niet eindigt met een knuppel op je achterhoofd.

Logisch dat het hele wielerpeloton jarenlang doodsbang was voor opper-Breton Bernard Hinault. Alleen die blik van hem al. Brrr...

Als je in dit vervloekte landsdeel iets wilt eten, dan kun je kiezen uit varkenspens en gemalen uiers – allebei gebakken in buikspek met uien. Aan brood doen ze niet. Het baguettevormige ding dat je bij je pens of uiers krijgt geserveerd is ter decoratie. Althans, dat is mijn vermoeden nadat ik mijn kiezen er een paar keer op heb vergruzeld.

Sommige wielrenners zijn zo dom om te vragen om pasta als ze in het noorden zijn. Klassieke fout. Maar dat snappen ze zelf ook als ze even later in een pan kijken waar één grote massieve meelbonk in zit. Zo’n stuiterbal krijg je met de beste wil van de wereld niet in je maag. (Het is niet voor niets dat de meeste ploegen zelf een kok en een keuken meenemen naar de Tour.)

En dan de vrouwen van het noorden. Ach, de vrouwen. Laat ik het zo stellen: ik herinner me een lokale koers die ik hier reed in 2004 – met een rondemiss die een Johan Derksen-snor en een wrat met haar op haar neus had. Nog nooit heb ik een wedstrijd gereden waarin zo veel renners níet wilden winnen. De arme jongen die het podium op moest hebben we nog weken uitgelachen.

Twee jaar heb ik voor een Frans ploegje (uiteraard met een thuisbasis in het diepe zuiden) gefietst. Toen ik bijtekende na één seizoen heb ik in mijn contract laten opnemen dat ik geen enkele koers in Ch’ti-land hoefde te rijden. Dom genoeg heb ik eenzelfde clausule niet laten opnemen in mijn contract met NRC. Spijt als haren op mijn hoofd, want nu zit ik hier weer.

Volgens het rondeboek duurt het nog wel even voordat we in het zuiden zijn. Arme renners. Arme ik. Dat wordt vanavond weer varkenspens.

Thijs is NRC-sportredacteur en oud-wielrenner.