Zo laat mogelijk, maar vóór de anderen

Aanvallen, dat moet je zo laat mogelijk doen, maar vóór de anderen. Dat schreef Tim Krabbé in de klassieker De renner, naar woorden van Henri Pélissier, de Fransman die in 1923 drie etappes en het eindklassement van de Tour won. Toen het uitgedunde peloton vandaag op een kleine zes kilometer voor de finish weer bij elkaar kwam, zal zo’n gedachte bij veel renners door het hoofd gegaan zijn. Ga ik nu? Nee, ik wacht nog honderd meter. Of nog eens honderd. Nu dan. Nee, wacht. Nu.

Nog vijf en een halve kilometer en Sylvain Chavanel schoot weg. Zo laat mogelijk - dat was hier, op dit stukje. Verstild hangend in de pedalen de bocht door, even achteruit kijken en daarna weer doortrappen. De handen midden op het stuur, de tanden bloot. Verbeten verdedigde hij zijn eigen definitie van ‘zo laat mogelijk’.

Met nog 1,8 kilometer gaf hij op. Toch te vroeg. Hij keek naar zijn fiets, als een smeekbede aan het materiaal om nog even mee te werken. Dat is meestal geen goed teken. Aanvallen doe je zo laat mogelijk; smekend naar je eigen fiets kijken liever helemaal niet.

Peter Sagan was vandaag de beste. Hij wachtte totdat hij 4 uur, 42 minuten en 34 seconden gefietst had, viel aan en 24 seconden later had hij gewonnen.