‘We zijn bijna overbodig geworden’

King Abdullah Economic City in aanbouw (Foto Reuters)

In Dave Eggers’ nieuwe roman heeft een man de taak een afwezige koning hologramtechnologie aan te bieden in een Arabische spookstad. Bij zo veel luchtspiegelingen is een interview per e-mail wel zo passend.

Een interview wil hij best geven, de magische, onstuitbare Dave Eggers, de schrijver die op zijn dertigste doorbrak met A Heartbreaking work of Staggering Genius en zijn naam verder vestigde met aangrijpend vertelde geschiedenissen van een Soedanese vluchteling (What is the What) en een slachtoffer van orkaan Katrina (Zeitoun). De man die met ontembare energie kansarmen omhoog probeert te trekken door hun verhalen op te tekenen en schrijfcursussen voor ze op te zetten, de man die als je even niet oplet weer een tijdschrift, uitgeverij of stichting begint.

Contact met Dave Eggers is dus geen probleem. Alleen komt hij niet naar Nederland voor een gesprek en ontvangt hij ook niet in zijn woonplaats San Francisco. Nee, hij geeft alleen interviews per e-mail. Zo gaat dat al jaren, verzekert zijn uitgever, en het gaat altijd goed.

Eigenlijk is dit stuk daarom de weergave van een soort enquête, waarbij de schrijver een online vragenlijst heeft ingevuld. Ideaal is dat niet, maar het moet gezegd, het past wel bij de thematiek van Eggers’ eerste echte roman sinds jaren, A Hologram for the King.

Daarin treffen we Alan Clay, telecommunicatieman zonder verstand, gewezen vertegenwoordiger en fietsenfabrikant, ex-echtgenoot, vader op afstand van een dochter en diep in de schulden. Samen met jongere collega’s is hij in KAEC, ofwel King Abdullah Economic City, in Saoedi-Arabië neergestreken. Deze stad (die echt bestaat) is door de koning in één keer uit de grond gestampt, en Alan komt er aan koning Abdullah zelf een belsysteem presenteren met hologrammogelijkheid: je gesprekspartner doemt voor je op als een luchtspiegeling. Het is de gedroomde opdracht, de klapper die Alan in één keer uit de problemen kan helpen. Alleen: de koning komt maar niet. En hij is ook al een hele tijd niet meer in KAEC geweest.

Luchtspiegelingen, spooksteden, hologrammen – Alan probeert vergeefs greep te krijgen op Saoedi-Arabië en op zijn leven, maar niets materialiseert. E-mailen met de schrijver van dit virtualiseringsboek is dan wel zo passend.

Uw boek is zeer een verhaal van nu; het gaat over vastgelopen levens en economieën, over een toekomst van autoritair kapitalisme en technologie waar mensen geen greep meer op hebben.
„Alan zat als personage al heel lang in mijn hoofd. Maar ik kreeg pas een verhaal voor hem toen mijn zwager, die in de IT werkt, vertelde over zijn verblijf in Saoedi-Arabië en over KAEC. Toen kon ik Alans verhaal koppelen aan de dingen die je noemt, inderdaad dingen waar ik me zeer mee bezighoud. Maar Alan is zich van al die zaken maar ten dele bewust. Hij heeft geen oog voor de hindernissen die voorkomen dat hij iets tot stand brengt.

„In die situatie bevinden we ons vandaag de dag eigenlijk allemaal. We hebben zulke fantastische technologische en digitale uitvindingen gedaan dat we zelf bijna overbodig zijn geworden. Neem de fietsfabriek waar Alan werkte. Schwinn Fietsen bestond echt, als kind woonde ik er in het westen van Chicago niet ver vandaan. Mannen als Alan dachten vooruitgang te boeken door steeds meer van het eigenlijke maakwerk te verplaatsen naar elders. Maar zonder dat ze het voorzagen hebben ze zichzelf zo uiteindelijk overbodig gemaakt. Aan de top praten managers over mannen zoals Alan. Mannen die te duur zijn geworden.”

U beschrijft hoe Alan wordt uitgelachen door de banken als hij met een plan komt om weer fietsen te gaan maken in de VS. Zou dat voor u een hoopvolle stap betekenen?
„Ik claim op geen enkele manier te weten wat de beste uitweg uit deze recessie is. Maar ik mis de dagen dat er in ieder land andere dingen gemaakt werden. Echte dingen, dingen met een persoonlijkheid. Zelf heb ik een hekel aan turen naar een scherm, het maakt me depressief. Toch lijkt het dat de meeste van onze economische toekomstscenario’s uitgaan van meer digitale technologie.”

Zit er niet ook veel nostalgie in Alan? Hij heeft er de leeftijd voor. U schrijft ‘ieder jaar werd hij een grotere stommeling’.
„Natuurlijk. Hij kan het niet meer bijbenen. Maar dat geldt voor meer van ons.”

Het motto van uw boek, It is not every day that we are needed, komt uit Becketts Wachten op Godot. En er wordt een hoop gewacht in dit boek.
„Ik denk dat een flink deel van de wereldeconomie nu aan het wachten is. Waarop? Dat weet denk ik niemand. Ik bespeur weinig moed. In de VS en in veel Europese landen wordt nog maar weinig geïnvesteerd in materiële verbeteringen, in infrastructuur, in dingen met blijvende waarde. Toen ik zelf in KAEC was, was men daar met bouwen gestopt. King Abdullah had zijn hele stad in één nacht af kunnen bouwen. Maar hij wachtte. Hij wachtte op buitenlandse investeerders.”

Is uw ‘Godot’ dus de belofte van economisch succes? Plus het besef dat die belofte voortaan een luchtspiegeling is?
„Er is een parallel met Godot, maar die is niet zo direct. Alan voelt dat er voor hem geen ander pad meer is dan op de koning te wachten.”

Uiteindelijk smelt hij zo ongeveer, wachtend in de woestijn, op een plastic stoel in een smoorhete partytent.
„Dat is zeker niet het meest constructieve dat hij kan doen, maar al zijn andere mogelijkheden zijn uitgeput.”

Het is jammer dat Eggers De man zonder ziekte niet kent, de pas verschenen roman van Arnon Grunberg. Je zou kunnen zeggen dat beide boeken voortkomen uit modern oriëntalisme. Nog steeds is het Midden-Oosten symbolisch voor alles wat het Westen niet is. Bij Grunberg belichaamt het de rauwe werkelijkheid waarin westerlingen, afkomstig uit een gecapitonneerde wereld, in paniek raken. Bij Eggers staat het voor een toekomst van flitskapitaal en niets ontziend design waarin de mens een verwaarloosbare factor is. „Precies zo kwam Saoedi-Arabië op mij over,” mailt de schrijver. „Ik heb er uitgebreid research gedaan. Ik moest het landschap en de mensen aan den lijve ondervinden. Alles, letterlijk alles is nieuw in de steden daar. KAEC was volkomen surrealistisch. Niet meer dan een stratenpatroon in de woestijn, zo ver als je kon kijken.”

Na twee boeken met waar gebeurde lotgevallen is dit een verzonnen geschiedenis. De stijl is ingehouden, anders dan het exuberante up-tempoproza dat we van u gewend zijn.
Zeitoun en What is the What kostten me beide heel veel moeite, onder meer door de verplichting die ik voelde jegens degenen van wie ik het leven beschreef; alles moest kloppen. Hologram was fictie. Ten dele was dat erg prettig, zelfs bevrijdend. Toch heb ik het vaak herschreven. Het was bijvoorbeeld veel langer, een grondig snoeiproces heeft het boek sterk verbeterd. En toen ik deze sobere stijl gevonden had, verdeeld in korte, discrete porties tekst, scheen die me meteen juist. Dit klonk als Alan, als zijn gemoedstoestand, traag en piekerend.”

Recessie en digitalisering hebben een crisis van het boek teweeggebracht. Uitgeverijen, boekwinkels en bibliotheken vechten voor hun bestaan. Het boek is steeds vaker virtueel, een vluchtig iets dat je kan downloaden en deleten zonder het ooit echt vast te houden. Vreest u deze ontwikkeling?
„Bij McSweeney’s (Eggers’ uitgeverij, red.) doen wij weinig anders dan papieren boeken en papieren tijdschriften uitgeven. Een tijd lang lieten we boeken in Azië drukken, maar toen ik een ambachtelijke drukkerij in Michigan ontdekte, zijn we met hen in zee gegaan. Dat voelt beter.

„Ik ben dus zelf diep verwikkeld in de toekomst van het echte, fysieke boek. En ik denk dat daar altijd een toekomst voor zal zijn. Mensen krijgen er genoeg van om alles via een scherm te ervaren. Papier wordt een exotische afwisseling – raar, maar waar. Bovendien veranderen digitale formats steeds, en zullen mensen er ook genoeg van krijgen steeds hetzelfde te moeten kopen in een andere vorm, zoals dat ging met platen, cassettes, cd’s en mp3’s. Tenslotte denk ik dat als uitgevers investeren in de kwaliteit en schoonheid van een boek, mensen daarvoor zullen kiezen en niet voor de digitale versie. In de VS zie je nu dat sommige uitgevers meer en meer aandacht schenken aan het fysieke aspect van een boek, aan de schoonheid ervan. Dat heeft een renaissance in het vak van boekverzorging teweeggebracht die erg vreugdevol is om te zien.”