‘Violisten spelen te uniform’

Violist Pekka Kuusisto (35) laat ijzeren repertoire swingen, maar speelt ook pop, tango en folk. In de serie Robeco Zomerconcerten toont hij zijn brede palet.

Pekka Kuusisto: „Ik ben volop bezig nieuwe dingen uit te werken.” Foto Tanja Ahola

Bretons streepjesshirt, rode espadrilles, blond kuifje. Nee, als een gerenommeerd klassiek virtuoos oogt de Finse violist Pekka Kuusisto zeker niet. Maar typerend is zijn voorkomen wel. Blader maar door de programmering van de Robeco Zomerconcerten, waarvan Kuusisto Artist in Residence is. Zijn aandeel omvat tango, Paganini en Vivaldi. En daarmee is nog maar een deel van Kuusisto’s muzikale persoonlijkheid weerspiegeld: improvisatie en elektronica ontbreken.

„Dat zou detoneren bij de rest van de serie”, zegt Kuusisto in zijn hotel. „In deze concerten kan ik al genoeg van mezelf kwijt. Vivaldi’s Vier jaargetijden koppel ik aan eigentijdse muziek van Rautavaara, die zich liet inspireren door Finse volksvioolmuziek. Met een harmonium erbij is het leuk die folktunes en de moderne versies af te wisselen.”

Kuusisto begon met vioolspelen toen hij drie was. Dat verklaart zijn virtuositeit en rijpheid als tiener, terug te zien op YouTube, bij het winnen van het Sibelius vioolconcours van 1995. Sindsdien speelde Kuusisto het Vioolconcert van Sibelius, waarmee hij vrijdag op spectaculaire wijze de Zomerconcerten opende, 180 keer. „In het begin noteerde ik alle uitvoeringen op mijn partituur. Maar toen de kaft vol was ben ik gestopt. Ik hoorde laatst wel een oude opname van mezelf. Keurig, maar niet meer. Sibelius moet je niet spelen zonder recht te doen aan zijn fascinatie voor runenzang. De meeste violisten spelen het concert – net als ikzelf destijds – te gelikt. Zonder oor voor de dansritmes of ruige kantjes.”

In de internationale vioolwereld is Kuusisto met zijn brede oriëntatie een uitzondering. „Als violist word je opgeleid voor een orkestbaan. Gevolg: violisten klinken uniform. Kenners roemen het eigen geluid van oude meesters als Milstein, Gitlis of Neveu, maar je moet op het conservatorium niet wagen zo te spelen.”

Zelf groeide Kuusisto op in een muziekfamilie. Zijn opa was organist, zijn vader componist/dirigent, zijn moeder muziekpedagoog, zijn broer violist, zijn zussen danseressen. „Mijn vader is ook nog jazzman en dat heeft me zeker gevormd”, zegt hij. „Als jongens zaten mijn broer en ik vaak naast hem achter de piano. Dan droeg hij ons op een bas of melodiestemmetje te improviseren bij de akkoorden die hij speelde.”

Op de muziekschool in Helsinki had Kuusisto vioolles van de Hongaarse pedagoog Géza Szilvay. Hij lacht. „Heel vormend: alle Finse violisten met een goede baan zijn oud-leerlingen van hem. Maar we begonnen heel gemoedelijk, hoor. De G-snaar had een bruin plakkertje, dat was de beertjessnaar. En samenspel hoorde er meteen bij, want zo leer je het snelst dat zuiver spel cruciaal is.”

Uiteindelijk zijn veel van de pedagogische beginselen waarmee hij opgroeide terug te brengen op de inzichten van pedagoog-componist Zoltan Kodály, zegt Kuusisto.

„Het was intensief, als kind al. In de zomer waren er lange tournees met het junior strijkensemble. Mijn vader had andere plannen met het gezin en oogstte het gram van Szilvay. ‘Zeg, het zijn mijn kinderen’, zei hij. En Szilvay: ‘Nee meneer Kuusisto, uw zoons zijn Kodaly’s kinderen.’”

Op zijn concerten in het Concertgebouw bespeelt Kuusisto zijn Guadagnini uit 1752, maar normaal is hij ook vaak te horen op elektrische viool. „Eigenlijk vind ik het wel fijn dat men me daarvoor nu hier niet vroeg”, zegt hij. „Ik ben nog volop bezig nieuwe dingen uit te werken. Eerst werkte ik veel met bedieningsapparatuur die voor elektrisch gitaristen is ontwikkeld. Maar dat belemmerde mijn spel. Nu werk ik aan het ontwikkelen van een nieuw soort apparatuur en software. Bewegingssensoren, maar ook programma’s geënt op games. De pc neemt mijn spel op en doet voorstellen voor tegenstemmen of ritmes. Artificial Intelligence, maar dan in muziek.”

Hij lacht. „Ik moet die ideeën wel nog verder uitwerken, hoor. Het komt nog wel een keer, in het Muziekgebouw aan ’t IJ of zo.”

Pekka Kuusisto in het Amsterdamse Concertgebouw: 4/7, 23/7 en 22/8.