Op elke tien Nederlanders zijn er vier te zwaar

Vier op de tien Nederlanders is te dik. Tien procent kampt met ernstig overgewicht en ruim dertig procent met matig overgewicht. Dat blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Of iemand te zwaar is, becijfert het CBS op basis van de zogenoemde body mass index (BMI). Dat is het gewicht in kilo’s, gedeeld door het kwadraat van de lengte in meters. Een BMI boven 25 geldt als ‘matig overgewicht’. Bij een BMI boven 30 is sprake van ‘ernstig overgewicht’. Iemand met een lengte van 1,80 meter en een gewicht van 80 kilo zit nog net onder een BMI van 25. Bij dezelfde lengte en een gewicht van 100 kilo ligt de BMI net boven de 30.

Het aantal mensen met overgewicht steeg de afgelopen decennia fors. Begin jaren tachtig was 27 procent te dik. Tegenwoordig is dat 41 procent. Vooral onder volwassenen is overgewicht toegenomen. Het aantal volwassenen dat veel te dik is, verdubbelde, tot 12 procent. Matig overgewicht nam toen van 24 naar 36 procent. Vooral lageropgeleiden zijn te zwaar.

Onder kinderen is de stijging kleiner. Dertig jaar geleden was 7 procent te dik, tien jaar terug 10 procent, nu is het 11 procent. Het aandeel kinderen met ernstig overgewicht nam nauwelijks toe.

Vanaf de leeftijd van twintig jaar neemt het aandeel te dikke mensen snel toe. Opvallend is dat meer dan de helft van mannen ouder dan veertig jaar te zwaar is. Vrouwen zijn minder vaak te zwaar dan mannen.

Eerder dit jaar meldde het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat meer dan de helft van de Nederlanders te dik is. Het RIVM gebruikt dezelfde maatstaf als het CBS, de BMI, maar weegt de onderzoeksgroep zelf. Het CBS laat de rapportage van gewicht en lengte over aan de deelnemers aan het onderzoek.