High five, we zijn de Oeral over!

De langste snelweg van Europa, de E40, loopt van Frankrijk naar Kazachstan. Lynn Berger rijdt de weg van begin tot eind. Vandaag aflevering drie: de Afghaanse vrachtwagenkaravaan.

De rivier en de weg kruisen elkaar in Atyrau. De Oeral komt uit het noorden en stroomt richting de Kaspische Zee, de E40 is op weg naar Oezbekistan. De weg gaat bovenlangs, als brug met aan de voet een bordje dat ons vertelt dat we in ‘Europe’ zijn, aan de overkant een bord dat ons welkom heet in ‘Asia.’

De 300 kilometer tussen de Russisch-Kazachstaanse grens en hier liep de E40 door een plat steppelandschap waar het eerste teken van leven een kameel was en het tweede teken van leven de dood – wat ik vanuit de verte voor de skyline van een stad hield bleek een begraafplaats te zijn, met voor elke dode een minimausoleum voorzien van koepel of toren. Op een paar volgeladen Lada’s en een colonne vrachtwagens na was het stil op de weg: de kamelen waren loom, de begraafplaatsen verstild, de jaknikkers in de olievelden stoïcijns. Atyrau verrijst uit die steppe als Las Vegas uit de woestijn: plotseling en onwerkelijk, met moderne hoogbouw, grote pleinen, en plantsoendienstmedewerkers met zonnebrillen op volledig ingezwachtelde gezichten. In hun verdediging tegen zon, stof en uitlaatgassen zien ze eruit als kleurige mummies.

Wanneer we de Oeral oversteken geven we elkaar een high five: ‘Europa’ en ‘Azië’ zijn maar woorden natuurlijk, maar benoemen is wat mensen doen – rivieren, continenten, gebergtes en wegen krijgen namen en daarmee betekenis. Kazachstan dankt zijn naam aan Joseph Stalin. In een klassiek staaltje verdeel-en-heerspolitiek trok hij in 1924 grenzen op de kaart van dit gebied en creëerde zo landen – Sovjetrepublieken – waar eerst nomadenstammen en autonome stadsstaatjes waren: Kazachstan, Oezbekistan, Kirgizië, Tajikistan. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 bleven die grenzen bestaan; niet veel later werd het Europese E-netwerk, waarvan de E40 de langste route is, naar Centraal-Azië uitgebreid. Azië, bedenk ik op de brug, heeft geen westen: het begint in het midden.

‘Waarom gaan jullie naar Oezbekistan? Daar is alleen maar zand! Turkije is veel mooier!” Latif, een Turkse vrachtwagenchauffeur van een jaar of veertig met een bandana om zijn hoofd, heeft thee ingeschonken. Samen met vijf andere chauffeurs pauzeert hij in de schaduw van een langs de E40 geparkeerde truck, ergens tussen Atyrau en de Oezbeekse grens. Ze zijn opweg naar Nederland, vertelt Latif, en hebben zojuist „tomaten, ijsjes, en kleren” afgeleverd bij de Nederlandse soldaten in Afghanistan.

Oezbekistan grenst aan Afghanistan en sinds Pakistan de NAVO eind vorig jaar de toegang ontzegde loopt de overlandse bevoorrading van de ISAF-missie aldaar volledig via trein- en truckroutes door Europa en Centraal-Azië; ook de E40 is onderdeel van dit ‘Northern Distribution Network’. Iedere vijf weken rijdt Latif, die in Nijmegen woont en voor een Nederlands vervoersbedrijf werkt, op en neer; wanneer ik naar zijn vrouw en kinderen informeer, wijst hij naar zijn medechauffeurs – knappe mannen tussen de twintig en de vijftig, met bruine, verweerde koppen. Ze grijnzen, hun ogen spleetjes tegen de felle zon.

Het is 38 graden en schaduw ontbreekt wanneer we in het niemandsland tussen Kazachstan en Oezbekistan wachten tot de lunchpauze van de Oezbeekse douaniers voorbij is. Mijn eigen brood smaakt naar zand: de zestig kilometer hiervoor was de E40 onverhard, een enorme zandbak waar we met twintig kilometer per uur doorheen hobbelden, onze raampjes haastig maar tevergeefs dichtdraaiend telkens wanneer er een stofwolk producerende vrachtwagen naderde. De steppe was overgegaan in woestijn, ik telde drie verloren schoenen en in plaats van een strohalm zag ik de tape van een cassettebandje voorbij waaien. Zodra we de grens over zijn verschijnt een Oezbeekse dame aan ons raam om geld te wisselen. In ruil voor vijftig euro krijgen we 170.000 Oezbeekse som; omdat het hoogste biljet 1.000 som is, komt dat neer op vier komisch dikke pakken.

Kazachstan produceert olie, Oezbekistan katoen: waar Kazachstans oliebronnen in Sovjettijden grotendeels onaangeroerd bleven, daar werd Oezbekistans katoenteelt onder het ene Vijfjarenplan na het andere juist enorm uitgebreid. Door de irrigatie die daarvoor nodig was verwerd de Aralzee, die grotendeels in de west-Oezbeekse autonome republiek Karakalpakstan ligt, in recordtempo tot een gekrompen, verschrompelde, visloze schim van zichzelf.

Na de grens voert de E40 naar de Karakalpakische hoofdstad Nukus – een route die vijftig jaar geleden vlak langs de oever van de Aralzee had gelopen, maar nu door een uitgedroogd, uitgestorven gebied leidt. De lucht is grijs, zwaar en stoffig, als een verstilde zandstorm.

Op de Afghaanse vrachtwagenkaravaan na is de weg leeg: de economie en de bevolking van Karakalpakstan krimpen met de Aralzee mee. We passeren spookstadjes met onbewoonde gebouwen in verschillende stadia van verval. Bij een spoorwegovergang staat een groepje jongens zich te vervelen; wanneer we stoppen voor een passerende trein verzamelen ze zich aan ons raam en vragen om geld of snoep. Het zakje gedroogd fruit dat ik voor ze openhoud wordt uit mijn handen gegrist; wanneer we doorrijden zie ik in de achteruitkijkspiegel hoe ze eroverheen gebogen staan – en ik bedenk dat ik nu pas weet wat ‘desolaat’ betekent.

Alle kleur van Karakalpakstan blijkt zich te hebben verzameld op de bazaar van Nukus, een stad met lage, witte gebouwtjes en grijze betonnen torens in een geometrisch grid. De vrouwen dragen lange jurken en gebloemde hoofddoeken; hun gezichten zijn knap en donker, met felle amandelvormige ogen en gouden tanden. In een kolossaal gebouw aan het boomloze stadspark herbergt het Igor V. Savitsky Museum ’s werelds grootste collectie vroege Sovjetkunst. In de landschappen en stillevens van Karakalpakische kunstenaars uit de jaren dertig, veertig en vijftig figureren vissen, havens en boten: met de weg hierheen in het achterhoofd worden die onschuldige taferelen treurig en surreëel.

Na het einde van de wereld, het begin: zo’n 500 kilometer voorbij Nukus, waarvan bijna de helft onverhard, doemt Boechara op als de blauw-turquoise oase die ze, met haar met mozaïek versierde moskeeën, madrassas en koepels, ook ten tijde van de Zijderoute geweest moet zijn. Eeuwenlang lag Boechara halverwege de handelsroutes tussen China en de Middellandse Zee; haar bloeitijd kwam ten einde met de ontdekking van alternatieve vaarroutes in de zestiende eeuw. In de nog altijd prachtige markthallen worden nu voornamelijk toeristenprullen verkocht.

Na Boechara volgt de E40 de oude Zijderoute richting Kirgizië en neemt tussendoor nog een hapje Kazachstan. De steppe heeft nu gezelschap gekregen van het Tian-Shian gebergte, dat achtergrondje speelt. Op een camping net buiten het Kazachstaanse dorpje Zhagabyly – vanuit de tent zien we de besneeuwde toppen waarachter Kirgizië begint – ontmoeten we Sergey. Sergey is imker, zijn bijenkasten staan naast het washok. Hij rijdt een witte Lada, heeft golvend haar en draagt een spijkerpak dat uit de jaren zeventig lijkt te komen; om op het Engelse woord voor ‘gisteren’ te komen neuriet hij ‘Yesterday’ van The Beatles. Hij belooft ons morgen een potje honing te brengen: „I’ll be back”, zegt hij, met een Arnold Schwarzenegger-accent.

Maar reizen maakt ongeduldig, de E40 maakt nieuwsgierig, Kirgizië lonkt: de volgende dag vertrekken we vroeg, Sergey mislopend. En het is gek, dat je zo veel kan zien – het deprimerende Karakalpakstan; het dikke, waardeloze pak geld in de handen van de beenloze bedelaar op de bazaar van Nukus; de meuk in de passages van Boechara – en dat je hart uiteindelijk breekt om de honing, die iemand voor je meebrengt, terwijl jij al bent vertrokken.