Column

Europa verdooft zich. Dat gaat geld kosten

De Europese regeringsleiders hebben vorige week een nieuw recht ingevoerd. Het recht op lage rente.

Landen die wel hun best doen om hun economie te ‘hervormen’, zoals Italië, maar vinden dat zij daarvoor onvoldoende worden beloond op de financiële markten, kunnen een beroep doen op het permanente Europese noodfonds. Het fonds koopt dan staatsobligaties van het ‘gedupeerde’ land. De effectieve rendementen op hun schuld dalen. Dat drukt hun financieringskosten, maakt de staatsschuld draaglijker en vergroot de economische groei. De regering heeft meer kans om politiek te overleven. In theorie allemaal.

Het recht op lage rente doet me steeds denken aan het bordje dat je nog wel eens boven de cafétap ziet.

Morgen gratis bier.

Morgen lage rente.

Zoals inmiddels gebruikelijk in de Europese schuldencrisis is het besluit stoer, maar zijn de details vaag of nog geheim. Finland maakt publiekelijk bezwaar tegen steunaankopen door het fonds, Nederland aarzelt.

Dit is inmiddels de derde poging om met kunstmatig geld de zwartzaadlanden en -banken te steunen. De eerste twee keer kwam het geld van de Europese Centrale Bank (ECB). Eerst zo’n 200 miljard euro om staatsobligaties op te kopen. Begin dit jaar leende de ECB ruim 1.000 miljard euro voor drie jaar aan honderden banken.

Het doel van de ongekend grote geldinjecties was het smeren van de kredietmachines van banken ten bate van bedrijven en consumenten. In de praktijk bleken Zuid-Europese banken de gelden vooral te gebruiken om staatsobligaties van hun eigen land te kopen. Buitenlandse beleggers verkochten die effecten, banken stapten in, de injecties leken te werken. Voor een maand of vier.

Het recht op lage rente is een verdoving, toegediend door kunstmatige vraag naar staatsobligaties. De ECB zit niet in het beleggingsvak. De ECB is formeel ook geen bankentoezichthouder, maar gedraagt zich al wel zo met de geldinjecties voor wankele banken.

De omvang en de prijs van de verdoving kennen maar één richting: omhoog.

Eerst de omvang. Het noodfonds zal de verdovingsmaatregelen niet volhouden. Het fonds is relatief klein (500 miljard euro) ten opzichte van zijn taak (Spaanse banken redden, herfinanciering van steun aan andere landen). Wil het blijven werken, dan moet het fonds extra geld op de markt lenen en verpopt het tot een steeds gammeler maaksel dat wankele landen moet steunen.

Dan de prijs. De politieke prijs. Het noodfonds gebruikt het geld en de reputatie van financieel sterke landen, zoals Duitsland, Nederland en in mindere mate Frankrijk om andere landen te steunen. Als de verdoving is uitgewerkt, is de verleiding groot om onder garantie van sterke landen op de markt geld te lenen. Dat zullen de voorlopers van de eurobonds blijken te zijn, waartegen in Duitsland en Nederland zoveel politieke bezwaren bestaan.

Maar er is nog een andere prijs. De prijs van de macht en het overleven. Het noodfonds kan straks regeringen maken en breken, zoals de ECB vorig jaar het vertrek van premier Silvio Berlusconi van Italië forceerde. De ECB stopte met de verdoving, de pijn van stijgende rendementen werd Italië te veel. Exit Berlusconi. Dat kwam de Europese regeringsleiders toen goed uit. Berlusconi’s opvolger Mario Monti ging wél aan de slag met de binnenlandse hervormingen die de regeringsleiders en de Europese Commissie aanbevalen.

Het noodfonds kan straks ook beslissen over het lot van andere regeringsleiders. Mark (‘Ik ben geen eurofiel’) Rutte zal daar als premier niet zo snel last van krijgen gezien zijn inzet op de reductie van het begrotingstekort en op de noodzaak van hervormingen.

Maar als Nederland na de verkiezingen van 12 september zijn koers verlegt? Als de nieuwe minister-president Emile Roemer is, ook geen eurofiel, maar evenmin een ijzeren Hein inzake tekortreductie en liberale hervormingen.

Het noodfonds eigent zich, zoals eerder de ECB, de rol toe van rechter én beul, zonder dat nationale kiezers eraan te pas komen.