En toen mocht hij zelf sprinten

Tom Veelers is de sprintpiloot van Marcel Kittel. Maar de kopman was ziek, dus kreeg Veelers een kans in de derde rit van de Tour.

Redacteur Wielrennen

Doornik. Dit verhaal gaat over de nummer twee. Over de op één na snelste sprinter van een wielerploeg. Sprintpiloot, of de lead-out man, worden ze genoemd.

Het is de taak van een sprintpiloot om zijn sprinter te lanceren, op 200 meter van de finish. Daarvoor moet je zelf ook goed kunnen sprinten. En dat maakt de relatie tussen een sprinter en zijn piloot weleens gecompliceerd. Vooral als de ambitie gaat kriebelen, na een paar jaar van opoffering, van sprinten in de schaduw.

Tom Veelers is bij het Nederlandse Team Argos-Shimano de man die de sprint voor zijn Duitse kopman Marcel Kittel aantrekt. Voor aanvang van de Tour de France vertelde Veelers over zijn werk in de hectische laatste kilometer van een sprintetappe. Hij houdt contact met zijn kopman door te roepen. „Marcel!”, schreeuwt Veelers dan. Als hij achter zich met een Duits accent „Tom!” hoort roepen, dan zit het goed.

Veelers moet er vervolgens voor zorgen dat zijn kopman niet in de wind komt, want dat kost extra kracht. Strak langs de hekken sturen, zodat de anderen door de wind moeten om er langs te komen. En in de gaten houden dat hij niet ingesloten raakt, niet het achterwiel van de renner voor hem raakt, om zich heen kijken of er geen andere sprinters zijn die hem inhalen. „Best wel veel tegelijk, eigenlijk”, lachte Veelers twee weken geleden. Multitasken met zestig kilometer per uur, op twee dunne bandjes.

Op zo’n 500 meter voor de finish begint Veelers aan een sprint, van 300 meter. Daarna is hij op en neemt Kittel het over. De gangmaker heeft dan niet alleen het tempo verhoogd zodat zijn kopman de strijd met de concurrentie aankan, maar ook constant rekening met hem gehouden. Bij elke manoeuvre bedacht of Kittel er ook langs kan. En Veelers heeft risico’s genomen, eigenlijk moet hij zelfs bereid zijn om te vallen voor zijn kopman. Veelers koerst om Kittel te laten winnen. Dit seizoen lukte dat al zeven keer.

Het is niet dat Veelers zelf geen ambities heeft. „Maar Marcel is rapper dan ik. Dan vind ik het logisch dat ik voor hem rij.” In kleine koersen mag hij van de ploeg voor zijn eigen succes sprinten. Dat vindt de renner belangrijk, zegt hij. „Natuurlijk droom ik ook zelf van overwinningen.”

Gisteren kreeg hij plotseling een kans. In de tweede etappe van de Tour, van Wezet naar Doornik in België, was Kittel afgehaakt. De Duitser was ziek, had de hele nacht overgegeven. En had daardoor geen kracht meer om het peloton in de laatste kilometers te volgen. Veelers, normaal nummer twee, werd plots tot nummer één gebombardeerd. De nieuwe nummer één eindigde als vierde. Achter winnaar Mark Cavendish, André Greipel en Matthew Goss. Maar voor snelle sprinters als Alessandro Petacchi, Peter Sagan en Tyler Farrar. „Dit was een supermooie kans om mijzelf te laten zien”, zegt Veelers na de etappe. „En ik denk dat ik hem met beide handen heb gepakt.”

Een van de bekendste voorbeelden van een vete tussen een sprinter en zijn piloot is de lange ruzie tussen Mark Cavendish en André Greipel, gisteren in Doornik de nummers één en twee. Een paar jaar geleden zaten ze nog bij elkaar in de ploeg. De jongere Cavendish was bij team HTC de lead-out man van Greipel. Maar Cavendish hield zich al snel niet aan het protocol. Hij ging voor eigen kansen, hield geen rekening met zijn kopman. Maar won wel, en dan mag alles. Toen Greipel ook een keer een rit won, zei Cavendish dat dat een kadootje was. Van hem.

Het was de aanleiding voor een serie van schimpscheuten heen en weer, waarna de ploegleiding besloot om de twee niet meer samen in één wedstrijd te laten rijden: Cavendish de grote koersen omdat hij al snel was uitgegroeid tot de beste sprinter van het peloton, Greipel de kleine. De Duitser nam daar na een tijdje geen genoegen meer mee en vertrok.

Ook ritwinnaar Mark Cavendish streed gisteren tegen zijn oude sprintpiloten. Mark Renshaw gold in de ploeg van Cavendish als de beste lead-out man ter wereld, maar rijdt nu voor eigen succes bij Rabobank. En Matthew Goss, die gisteren als derde eindigde, was tot vorig jaar ook gangmaker van Cavendish.

Overigens is het niet zo dat sprintpiloten nooit waardering krijgen. Giovanni Lombardi werd in de jaren negentig volop geprezen om zijn werk voor topsprinters Erik Zabel en Mario Cipollini. En snelle mannen als Bernhard Eisel en Brett Lancaster worden erg gewaardeerd. Toch blijft die waardering beperkt tot het peloton, bij het grote publiek blijven ze onbekend.

„Er staan bij elke wedstrijd tweehonderd renners aan de start en Kittel is een van de snelsten”, zegt Roy Curvers, ploeggenoot van Veelers en Kittel. „Ik kan tiende worden, of deel uitmaken van succes. Dan heb ik de keuze snel gemaakt.” Veelers zegt op zijn beurt dat Kittel „heel dankbaar is voor het werk dat ik doe”. Hij vertelt dat de Duitser in elk interview na een zege zijn ploeggenoten uitgebreid bedankt, en dat hij dat erg waardeert.

Bij de ploegbus na de finish in Doornik doet Veelers nu hetzelfde. Hij krijgt volop aandacht na zijn vierde plek en noemt al zijn ploeggenoten in de interviews. Roy Curvers was goed, Koen de Kort zette mij goed af, Patrick Gretsch deed uitstekend werk. Pas daarna geniet Veelers nog even na van zijn sprint tussen de wereldtop. „Ik kan het dus toch”, zegt hij.