De Bovenbazen (43)

Daarop bracht hij heer Bommel in zijn auto naar huis.

‘Je treft het, jongen,’ sprak hij. ‘Die Energie-stukjes staan goed. Geen wonder; er is juist een nieuwe energiebron gevonden; het Solium, je weet wel.’

‘Solium?’ herhaalde heer Ollie. ‘Wat is dat?’

‘Solium is een nieuw element,’ hernam de ander. ‘Eén gram Solium geeft genoeg energie om een wereldstad gedurende een jaar van kracht te voorzien. Geweldig, niet?’

‘Ja, geweldig!’ gaf heer Bommel lusteloos toe. ‘Hé, wie lopen daar?’

‘Het is,’ vervolgde de oliekoning, ‘praktisch energie uit niets! Geen walmende schoorstenen meer; geen geknoei en gedoe. Je zit goed, obb!’

‘Ja, ja, ik zit goed,’ prevelde heer Bommel. ‘Kijk, daar lopen Joost en Tom Poes. Ze zien er gedrukt uit, als u begrijpt, wat ik bedoel.’

aws wierp een gehinderde blik uit het raampje.

‘O,’ mompelde hij. ‘Onvermogenden. Hebben zeker een strop gehaald. Ach ja, dat soort is altijd de dupe, de stakkerds. Maar, zoals ik al zei…’

Heer Ollie luisterde echter niet meer. De auto had halt gehouden voor Bommelstein en hij sprong naar buiten, terwijl hij met zijn papieren zwaaide.

‘Kijk eens, wat ik hier heb!’ riep hij met gemaakte opgewektheid uit. ‘Syndicale aandelen, jongens! Die zijn heel wat beter dan ddt; wat jullie?’

Joost wendde zich langzaam om en keek bedroefd naar zijn meester. ‘Gefeliciteerd, heer Olivier,’ sprak hij mat. ‘Ik voor mij had alleen maar ddt. En nu heb ik niets meer, met uw welnemen.’