Unieke generatie is niet te verslaan

Spanje won het EK ten koste van Italië. Met drie titels op rij is het de succesvolste landenploeg ooit.

Redacteur Voetbal

Rotterdam. Een Spaans sprookje in de Oekraïense nacht. Sommige liefhebbers mogen het controlerende combinatiespel zo langzamerhand langdradig vinden, het type voetbal dat Andres Iniesta, Xavi Hernandez en hun maten tot in perfectie beheersen blijft het meest effectieve op aarde. Gisteravond grensde de Spaanse voetbalshow bij tijd en wijle aan het buitenaardse. Met 4-0 kwam Italië er nog genadig vanaf in de EK-finale.

Het beangstigende voor de gewone sterveling: met hun weergaloze voorstelling lieten de Spanjaarden zien dat zij hun specialiteit opnieuw naar een hoger niveau hebben weten te tillen. Met de derde grote titel op rij kroonde Spanje zich in Kiev tot de meest succesvolle nationale ploeg uit de voetbalgeschiedenis. En niemand die het de ploeg van bondscoach Vicente del Bosque zal misgunnen. De Spanjaarden prolongeerden hun Europese titel van 2008 en werden tussendoor – in 2010 in Zuid-Afrika – ook nog wereldkampioen. Nog nooit was een land erin geslaagd drie grote eindtoernooien op rij te winnen.

Opmerkelijk genoeg was het voor het eerst dat Spanje op een EK of WK Italië versloeg, bij de achtste poging. Het leverde het land een derde Europese titel op, na 1964 en 2008. Daarmee kwamen de Spanjaarden op gelijke hoogte met Duitsland. „Dit is de beste periode in de historie van het Spaanse voetbal”, had Del Bosque vooraf al gezegd. „Op clubniveau is veel neergezet op het gebied van faciliteiten en het opleiden van coaches.” Del Bosque zelf werd pas de tweede bondscoach in de geschiedenis die zowel het EK als het WK won. De eerste die daarin slaagde was de Duitser Helmut Schön (EK 1972, WK 1974).

Italië, dat zo verrassend de finale had bereikt, kwam er geen moment aan te pas in Kiev. Drie weken geleden, in hun openingsduel in de groepsfase, wist la squadra azzurra Spanje nog een punt afhandig te maken (1-1), maar een herhaling daarvan was uitgesloten. Spanje nam de Italianen vanaf de eerste minuut in een ijzeren greep. Dat resulteerde al binnen een kwartier in de openingstreffer, na een fluwelen combinatie tussen alle hoofdrolspelers: via Xavi en Iniesta werd Cesc Fabregas naar de achterlijn gestuurd. Die legde de bal panklaar op het hoofd van David Silva: 1-0. En het feest kon beginnen.

Italië wist dat het een moeilijk verhaal zou worden. Spanje had de laatste 61 duels waarin het de openingstreffer had gemaakt, als winnaar afgesloten. Gisteravond was dat niet anders. De finale liep zelfs uit op een drama voor de Italianen, die de ervaren verdediger Giorgio Chiellini zagen uitvallen met een kuitblessure.

Nog voor rust kwam Spanje op 2-0, en opnieuw lag een perfect staaltje van precieze passing eraan ten grondslag. Jordi Alba sneed op volle snelheid door de Italiaanse defensie en werd op maat bediend door Xavi. De jonge speler van Barcelona schoof de bal eenvoudig langs de uitlopende doelman Gianluigi Buffon.

Het krachtsverschil was veel te groot. Wellicht kwam het door de kritiek op het ‘saaie’ Spaanse spel, dat de ploeg van Del Bosque gisteravond een paar tandjes bijzette. Italië liep nog meer schade op, toen ook Thiago Motta met een spierblessure naar de kleedkamer moest. De ploeg moest nog een half uur verder met tien man, omdat Cesare Prandelli al drie keer had gewisseld in een alles-of-nietspoging het tij te keren. Maar de invallers Fernando Torres en Juan Mata wreven met de derde en de vierde treffer nog maar eens in dat deze unieke generatie voetbalkunstenaars door helemaal niemand is te verslaan.