Stilte over Al-Qaeda

Al-Qaeda in Jemen heeft ook Jemenitisch bloed aan zijn handen. De geestelijkheid praat er niet over.

Sana’a. Veel Jemenieten snuiven bij het horen van de naam Al-Qaeda. „Irhabien”, terroristen, wordt met een vies gezicht gezegd. De meesten moeten niets van de sunnitische extremisten hebben. Althans, dat zeggen ze tegen westerse journalisten. Maar de geestelijkheid bewaart het stilzwijgen over Al-Qaeda.

Baraa Shiban (27) gaat bijna elke vrijdag naar het openbare gebed in Sana’a. Nee, zegt hij, er wordt nooit een harde uitspraak tegen Al-Qaeda gedaan. „Alles wat er gebeurt met Al-Qaeda wordt door mensen in verband gebracht met het regime van ex-president Ali Abdullah Saleh. Ze denken dat het probleem is opgelost zodra hij voorgoed van het toneel verdwijnt.”

Saleh heeft achter de schermen nog steeds veel macht, zijn zoon en neef staan aan het hoofd van de belangrijkste legeronderdelen. Veel Jemenieten denken dat de Salehs Al-Qaeda gebruiken om het de overgangsregering van president Abd-Rabbu Mansour Hadi moeilijk te maken. Als er al iets gezegd wordt in de moskee, is het dat. In moskeeën die Saleh-gezind zijn, wordt juist beweerd dat Al-Qaeda nauw verbonden is met de fundamentalistische Islah-partij, de grootste rivaal van de Saleh-clan.

Jemenieten wijzen ook naar de Amerikanen. Die verergeren de zaak met hun luchtaanvallen op doelen van de extremisten, die tegenwoordig aan de orde van de dag zijn. Veel Jemenieten denken dat de populariteit van Al-Qaeda hierdoor alleen maar toeneemt.

Bij een groot legeroffensief heeft het regionale filiaal van Al-Qaeda zich de afgelopen weken moeten terugtrekken uit bolwerken in het zuiden van het land. Maar op zijn beurt heeft het de legercommandant die het offensief leidde vermoord. Eerder blies het in Sana’a honderd militairen op. Het wil een islamitisch kalifaat. Maar de imams houden hun mond. „Ik weet niets van het onderwerp”, zegt de imam van de Senan Abu Lohom-moskee in Sana’a.

Ali Mohammed (22) komt met honderden mannen uit de Qubat al-Mahdi, een moskee in de oude stad van Sana’a. „Het ging vandaag over hoe we binnen de familie goed met elkaar om moeten gaan. Over Al-Qaeda heb ik nog nooit iets gehoord, ik denk dat de imam dat niet durft. Ook de oppositie hoor je er niet over.”

Mohammed doelt op de massale openbare vrijdaggebeden van tegenstanders van Salehs voormalige regime. Die bijeenkomsten begonnen tijdens de opstand in 2011, maar gaan onder de nieuwe overgangsregering gewoon door. Het thema wisselt elke week. Er was de Vrijdag van de Vrouwelijke Martelaren, tegen corruptie, voor de nieuwe regering. Nooit is er de Vrijdag tegen Al-Qaeda.

Ook de ulama, de hoogste islamitische rechtsgeleerden van het land, zwijgen. Mufti Mohammed Ismail al-Amrani (94), ontvangt elke dag mensen in zijn bescheiden moskee in een vervallen wijk. Ze stellen allerlei vragen, maar over Al-Qaeda wil de mufti het niet hebben. Ook vandaag niet. „Waarom stel je zulke moeilijke vragen”, bromt hij geërgerd, en strompelt de moskee in.

Aish Awas (39), Al-Qaeda-deskundige van het Sheba Center for Strategic Studies in Sana’a, zegt: „Een deel van de ulama wil niet, een deel durft niet. Zij zijn bang ervan beschuldigd te worden te heulen met de Amerikanen en Israël.” Zo’n beschuldiging zou het einde van hun gezag betekenende, de mogelijkheid van wraak van Al-Qaeda nog daargelaten.

Awas: „Al-Qaeda ontleent zijn kracht aan zijn ideologie en aangezien dat een islamitische is, vinden mensen het moeilijk om ertegenin te gaan.” Dat zou vooral gelden voor het sunnitische deel van de ulama. De ulama zijn verdeeld in een zayditische (de Jemenitische variant van de shi’a) en een sunnitische tak. De zaydieten beschuldigen de sunnieten ervan achter Al-Qaeda te staan.

De ulama kunnen of willen niets uitrichten tegen Al-Qaeda en laten ingrijpen liever aan het leger over. Awas: „Dat is ernstig, want om deze oorlog te winnen heb je de loyaliteit van de mensen nodig. Je zult hen moeten overtuigen dat de ideologie van Al-Qaeda tegen de islam indruist.”