Column

Rugnummer 151

I n de slanke hotelkamer in Verviers stonden twee eenpersoonsbedden naast elkaar. Een bed voor Robert Gesink, een bed voor zijn collega Steven Kruijswijk. Gesink is een wielrenner met een vrouw. Veel mannen vinden het plezierig om met hun vrouw te slapen. Ik vermoed Gesink ook. Maar in de Tour de France slaapt hij op één kamer met een collega.

Dit weekend was ik te gast bij het Belgische televisieprogramma Vive le vélo. Ze vroegen of ik een kort filmpje wilde maken voor de uitzending. Eén minuut de camera richten op een stille Gesink in zijn kamer, dat leek me wel wat.

Op de eerste verdieping van het hotel klopte ik op de deur. Gesink deed open. Kruijswijk begreep het meteen. Sprong op van zijn bed, liet zijn opengeklapte laptop achter en weg. Wachten op de gang.

Ik deed de televisie uit. Stilte.

Robert ging op bed zitten. Hij had zijn trainingsjack aan met eronder slechts een onderbroek. Onder de korte pijpen verscheen een strook blank vlees waar de zon nooit vat op kreeg, daaronder begon de gebruinde huid van de wielrenner.

„Moet je geen broek aan als we zo gaan filmen?”, vroeg ik.

Gesink keek me aan. Waar kwam die preutsheid bij mij vandaan? Gedienstig trok hij zijn trainingsbroek aan.

Tijdens het filmen keek ik rond. Een jongenskamer. Uitgeschopte schoenen. Leven vanuit de koffer. Kleding in hoopjes. Een leeggedronken fles bronwater op het nachtkastje. En een banaan. Een zeer ouderwetse banaan die lekker lag te rijpen.

Volgens plan maakte Gesink zijn rugnummer vast aan zijn wielershirt. Hij moest het plakken en daarna op vier hoeken vastmaken met een veiligheidsspeld. Dit nummer reisde drie weken mee op zijn rug. Een mooi idee, vond ik. Nou, Gesink vond het heel gewoon. Nummer 151 droeg hij. Zei dat nummer hem nog iets? Nee, het zei hem niets.

Het filmen was klaar. Gesink was doodkalm. Verraderlijk rustig na een zware beenbreuk in september. Een rustige Gesink is een goede Gesink.

We namen afscheid. Buiten op de gang passeerde ik zijn vrouw Daisy, met de kleine Anne in de buggy. Ik keek om. De plastic wielen maakten sporen in het tapijt. Een vrouw op weg naar haar man, de wielrenner die ze maar een paar dagen kon volgen. Het leek wel bezoekuur. Aflossing van de wacht.

Tijdens de etappe naar Seraing zocht ik op televisie in de laatste steile kilometer naar Gesink. Ik herkende hem aan de hoge schouders en de weggestoken nek. De veiligheidsspeldjes deden hun werk. Rugnummer 151 fladderde niet.

Gesink sprintte achter het weggeglipte drietal. Hij duwde zijn fiets over de streep en werd knap zevende.

De verslaggever wilde van Gesink weten of het lekker ging.

„Goh, het was wel hectisch!”

Nerveuze toestand?

„Goh, eerste week van de Tour, hè?”

Gesink verdween in de bus. Op naar het hotel. Twee bedden, twee koffers en een televisie. Opfrissen. Slok water uit de plastic fles. Hangen op bed. Bladeren in het rondeboek om te kijken hoe de etappe morgen groeven ging trekken in het landschap.

Daar was het weer, het vertrouwde klopje op de deur. Robert deed open. Daisy. Met de buggy.

Nog even en Gesink was weer dagen alleen. Met Steven Kruijswijk.