Moment zonder pose

In het Guggenheim New York is een retrospectief van de foto’s van Rineke Dijkstra te zien.

Redacteur Sandra Smallenburg sprak haar voor de opening.

In het Amsterdamse atelier van Rineke Dijkstra staan twee tafels met daarop twee hagelwitte maquettes. Het zijn poppenhuisversies van twee van de belangrijkste musea ter wereld: het Museum of Modern Art in San Francisco (SFMOMA) en het Guggenheim Museum in New York. In de miniatuurzalen hangen alle werken waar de Nederlandse fotografe zo bekend mee is geworden – de strandkinderen, de stierenvechters, de pasgeboren baby’s en hun moeders, de soldaten, de discogangers – maar dan op pasfotoformaat. „Mijn fotolab heeft ze precies op schaal nagemaakt”, grinnikt Dijkstra. „Leuk hè? Het zijn net broches.”

Samen vormen ze Rineke Dijkstra: A Retrospective, haar eerste Amerikaanse overzichtstentoonstelling die dit voorjaar in San Francisco te zien was en nu in New York. De plattegronden kreeg ze van de musea, de maquettes heeft ze zelf laten maken. Trots wijst ze op het ophangsysteempje, een horizontale band waaraan ze haar fotootjes kan haken. „Al zag ik laatst dat Gerhard Richter een nog veel mooier systeem had, met magneetjes. Die van mij vallen er af en toe nog af.”

In het Guggenheim krijgt Dijkstra de beschikking over maar liefst vier verdiepingen, en het was nog een heel gepuzzel om die naar haar wens ingericht te krijgen, vertelt ze. „In het Guggenheim hebben ze precies zo’n maquette staan. Ik heb van mijn versie steeds foto’s gemaakt en die naar ze opgestuurd. En de laatste keer dat ik in New York was, hebben we er samen nog eens goed naar gekeken. Ineens waren we eruit.” Het zal vreemd zijn, zegt ze, om de werken straks in het echt in het Guggenheim te zien hangen. „Dat had ik ook in het SFMOMA, het gevoel dat ik in mijn eigen maquette rondliep.”

Dijkstra’s relatie met Amerika voert ver terug. In juni 1992 maakte ze op het strand van Hilton Head Island in South Carolina de eerste foto’s voor haar inmiddels wereldberoemde serie strandportretten. Foto’s van jonge meisjes met roodgelakte teennagels die proberen te voldoen aan het Amerikaanse schoonheidsideaal maar wel met angstige hertenogen de camera in kijken. En foto’s van langharige puberjongens die stoere poses aannemen, maar ondertussen niet weten waar ze hun lange armen moeten laten. Als geen ander wist Dijkstra met haar strandfoto’s de onzekerheid van adolescenten te vangen. Misschien wel, zegt ze, omdat ze zelf net zo verlegen was en ze iets in die jongeren herkende.

In 1997 werd de serie getoond op de jaarlijkse tentoonstelling met nieuwe fotografie in het MoMA in New York en maakte Amerika voor het eerst kennis met Dijkstra’s sobere, intieme portretten. Het SFMOMA en het Guggenheim verzamelen haar werk sinds 1998. Toen Sandra Phillips, de fotografiecurator van het SFMOMA, in 2005 Dijkstra’s solotentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam zag, beloofde ze de fotografe dat ze de tentoonstelling ook naar de VS zou halen. „Lange tijd hoorde ik niets”, zegt Dijkstra. „Ik durfde het aan niemand te vertellen, want zou het wel doorgaan?”

Het is de vooravond van de opening en in het Guggenheim is een ploeg van zeker dertig man bezig haar foto’s op te hangen en haar video’s te installeren. „Het is zo onwerkelijk”, zegt Dijkstra, als we in de lift staan en ze naar het bedieningspaneel wijst, waar bij vier van de zeven verdiepingen haar naam staat. „Dit is waarschijnlijk de grootste expositie die ik ooit zal maken, in een van de belangrijkste musea ter wereld. Wat kun je hierna nog wensen?”

Ze is al een week aan het inrichten. Als een regisseur op een filmset geeft ze de hangploeg van het Guggenheim aanwijzingen. De volgorde van de strandfoto’s, bijvoorbeeld, luistert nauw. Dijkstra: „Je wilt niet twee introverte types naast elkaar hangen, dan halen ze elkaar naar beneden. Dat verlegen Poolse jongetje kan daarom het beste naast die stoere kerels uit Hilton Head hangen. Zo vallen bovendien de cultuurverschillen goed op.”

Ze wijst naar een foto van een gebronsd jongetje uit Dubrovnik. „Door de manier waarop hij zijn handen houdt, lijkt hij net een zeehondje. Ik heb hem bewust naast een Belgisch meisje gehangen dat haar handen net zo strak langs haar lichaam houdt. Door het benadrukken van die overeenkomsten ontstaat er een ritme.”

Het is mooi om te zien hoe, nu al Dijkstra’s werk uit de afgelopen twee decennia bij elkaar is gebracht, haar series elkaar aanvullen en versterken. De vermoeide blikken van de Portugese stierenvechters die Dijkstra in 1994 en 2000 fotografeerde net nadat ze bebloed de arena uit waren gekomen, echoën in de gezichten van de naakte Nederlandse moeders die, uitgeblust en euforisch tegelijk, hun pasgeboren baby vasthouden. In het Guggenheim kijken ze elkaar nu recht in de ogen. Dijkstra is tevreden met die confrontatie. Maar, zegt ze tegen de ophangploeg, het zaallicht is te romantisch. „Dat moet harder en egaler zijn, zodat de kleuren beter uitkomen.”

In Amerika worden Dijkstra’s foto’s nadrukkelijk in de traditie van de Nederlandse schilderkunst geplaatst. In de zaalteksten wordt gerept over Johannes Vermeer, die net als Dijkstra op zoek was naar „het bijzondere in het alledaagse”. En in de catalogus vergelijkt curator Sandra Phillips haar portretten met die van Rembrandt, omdat ze dezelfde psychologische diepgang hebben. „Haar foto’s hebben de waardigheid en zwaarte van een schilderij”, schrijft ze. „Net als de zeventiende-eeuwse Hollandse schilders heeft Dijkstra een grote liefde voor het portret en de uniciteit van het individu. Haar foto’s tonen ons iets van onze gemeenschappelijke menselijkheid.”

Dijkstra kan er wel om lachen. „Die Amerikanen maken overal zo’n mooi verhaal van. Als ze mij plaatsen in de portrettraditie van Rembrandt en Vermeer dan vind ik dat ze hoog van de toren blazen. Het is natuurlijk een groot compliment. En er is ook heus wel een link. De Nederlandse kunst heeft een traditie van soberheid, wij beelden graag gewone mensen af.”

Zelf zegt Dijkstra dat ze zich van die traditie pas later bewust werd. „In de fotografie heb je maar weinig echt goeie portretten, maar in de schilderkunst zijn die er wel. Tijdens mijn studie was ik met die kunstgeschiedenis nog niet zo bezig. Maar nu ga ik graag naar het Rijksmuseum of het Metropolitan om naar die oude portretten te kijken. Ik houd van de emoties die in oude schilderijen gevangen zitten. Rembrandt was een meester in het schilderen van introverte portretten.” En ja, wat ze ook wel herkent, is de tijd en liefde die in die schilderijen zit. „Die precisie zit ook in mijn werk.”

Als jonge fotografe keek ze vooral naar het werk van de Amerikaanse Diane Arbus. Dijkstra studeerde in de jaren tachtig aan de Rietveld Academie in Amsterdam en maakte in die tijd zwart-witportretten van excentrieke bezoekers in poptempel Paradiso. Een medestudent wees haar op de gelijkenissen met het werk van Arbus. „Dat was in 1984. Haar foto’s raakten me direct. Omdat ze empathisch zijn, maar toch niet sentimenteel. In die tijd fotografeerde ik nog met een kleinbeeldcamera. Maar nadat ik had ontdekt dat Arbus met een Rolleicord werkte, zo’n camera waar je van bovenaf in kijkt, wilde ik dat ook. Het voordeel is dat je daardoor onzichtbaarder bent als fotograaf, je hoeft je model niet aan te kijken. Het is indirecter.”

Na de academie werkte Dijkstra onder meer voor het zakenblad Quote. Maar het in opdracht portretteren van zelfbewuste zakenmannen verveelde haar snel. In 1990 besloot ze dat het roer om moest. Ze nam twee maanden vrij om zich te bezinnen op een „authentiekere” manier van fotograferen. En toen, op de laatste dag van haar sabbatical, kreeg ze een ernstig fietsongeluk en brak ze haar heup. Maanden van revalidatie volgden. In het Amsterdamse Marnixbad zwom ze haar baantjes om weer aan te sterken. „Na het zwemmen keek ik een keer in de spiegel. Ik schrok van hoe moe ik eruit zag. Door mijn zwembrilletje was het net of ik gehuild had. Zo kwam ik op het idee om een zelfportret te maken na dertig baantjes – te moe om een pose aan te nemen.

„Mijn struikelblok bij die opdrachten was altijd dat mensen zo duidelijk poseerden, zelfs als ze het doodeng vonden om op de foto te gaan. Ik wil het moment vangen dat je daar niet meer over nadenkt. Naar die onbewuste houding, dat pure moment waarop het je niet meer kan schelen hoe je overkomt, ben ik sindsdien op zoek. Dat zelfportret was letterlijk een breekpunt. Het was een eerste poging om een natuurlijker portret te maken, gebaseerd op de realiteit.”

Zeker, haar foto’s zijn nog steeds geposeerd. Maar er zit ook altijd een zekere terloopsheid in Dijkstra’s portretten. Dat kan een mondhoek zijn die licht cynisch opkrult of een haarlok die zich niet laat plooien. Het zijn de details, de imperfecties, die haar portretten zo menselijk maken. Om die reden heeft Dijkstra een voorkeur voor mensen in uniform, of het nu Britse schoolkinderen, Portugese stierenvechters of Israëlische soldaten zijn. „Door dat uniform kijk je beter naar de koppen. Je ziet des te beter hoe het individu zich onderscheidt.”

Hoe ze haar onderwerpen kiest, waar ze op let bij het casten, kan ze niet een-twee-drie uitleggen. „Het is als verliefd worden. Ze springen eruit. Zoals je op straat ook opeens een mooi iemand kan tegenkomen. Ze hoeven niet knap te zijn, maar ze moeten iets hebben. Het is zoeken naar een speld in een hooiberg.”

Sommigen van de geportretteerden zijn vrienden geworden. Met Olivier, de Franse jongen die bleu het Vreemdelingenlegioen inging en er gehard weer uitkwam, heeft ze nog steeds contact. Nicky en Philip, de tieners uit Liverpool die zo hartstochtelijk dansen in de video The Krazyhouse, komen weleens logeren in Amsterdam. Erin, het meisje in de oranje bikini, zal erbij zijn op de opening. Met Almerisa, het Bosnische meisje dat in 1994 op vijfjarige leeftijd voor het eerst schuchter poseerde in een asielzoekerscentrum in Leiden en dat ze sindsdien is blijven volgen, heeft ze intussen een hechte relatie. „Ik was getuige op haar huwelijk en we gaan volgende maand samen een workshop geven in het Guggenheim.” Maar, zegt ze, het geldt voor al haar modellen: „Ik heb toch een band met ze, door die foto’s. Het zijn mensen die ik ooit ontmoet heb en die door die foto’s altijd bij me gebleven zijn.”

Rineke Dijkstra: A Retrospective. Tot en met 3 okt, Guggenheim Museum, New York. Inl. guggenheim.org