... maar het instituut verdwijnt

Het oprichten van een instituut dat de geschiedenis van de slavernij bestudeert, was een politiek besluit. Na tien jaar verdwijnt het. Niet iedereen vindt dat vreemd.

Artwell Cain, directeur van het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee), beleefde het afgelopen weekend de herdenking van de afschaffing van de slavernij met „een gevoel van rouw”. Zijn instituut, dat in 2002 werd opgericht, houdt per 1 augustus op te bestaan.

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap trekt de gehele subsidie van het NiNsee in, 900.000 euro per jaar. Cain vindt dat onbegrijpelijk. „Natuurlijk moet iedereen bezuinigen in deze tijd, maar door het volledige bedrag te schrappen is er voor ons geen kans meer op een doorstart. We zijn voor meer dan zeventig procent van onze inkomsten afhankelijk van het ministerie.”

Cain was onlangs in Brussel als spreker te gast op een EU-conferentie over moderne slavernij. „Daar werd me duidelijk dat Nederland veel geld uitgeeft aan de bestrijding van mensenhandel. Dat maakt het extra wrang dat het NiNsee moet verdwijnen. Kennelijk vertellen we de rest van de wereld graag hoe het moet, maar zijn we niet bereid de donkere kanten van onze eigen geschiedenis te onderzoeken.”

Met de opheffing van het NiNsee zal het slavernijverleden weer een voetnoot in de geschiedenisboeken worden, vreest Cain. „De manier waarop wij de slavernij onderzochten, vanuit een niet-Eurocentrisch perspectief, zal verdwijnen.”

Niet iedere historicus was echter te spreken over het werk van het NiNsee. Piet Emmer, slavernijkenner en emeritus hoogleraar aan de Universiteit Leiden, zegt dat hij het geld dat aan het instituut werd besteed als weggegooid beschouwt. „Het is net als met het debacle rondom het Nationaal Historisch Museum. Die miljoenen komen nooit meer terug. Om je de haren van uit het hoofd te trekken.”

Het NiNsee ontstond uit schuldgevoel, denkt Emmer. „Als zo’n instituut om politieke redenen wordt opgericht, kan je niet verwachten dat er hoogstaand wetenschappelijk werk wordt verricht. Het NiNsee heeft de afgelopen jaren geen uniek onderzoek voortgebracht. Daarom maak ik me ook geen zorgen over de opheffing van het instituut. Het onderzoek naar het slavernijverleden gaat gewoon door.”

Directeur Cain van het NiNsee kan zich niet vinden in die conclusie. „De slavernij wordt op de Nederlandse universiteiten niet grootschalig onderzocht. Daarnaast is de focus niet internationaal genoeg, terwijl het bij een onderwerp als de slavernij juist van belang is over de grenzen te kijken.”

In april pleitten zeven oud-bewindslieden bij staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) voor het behoud van het NiNsee. De subsidie van het instituut is afkomstig uit de cultuurbegroting. Vanwege de bezuinigingen is besloten om alleen nog de belangrijkste instellingen meerjarig te subsidiëren. De voormalig bewindslieden schreven aan Zijstra dat „de reikwijdte een het belang” van het NiNsee „ver uitstijgt boven het cultuurbeleid” en daarom structurele financiering verdient.

Staatssecretaris Zijlstra wil echter geen uitzondering op de bezuinigingsregels maken. Een woordvoerder van de staatssecretaris laat weten dat het NiNsee op projectbasis subsidie kan krijgen, bijvoorbeeld via het Mondriaanfonds. Maar daarmee kan het instituut niet gered worden, aldus Cain. „Gelukkig blijft Amsterdam in ieder geval de herdenking ondersteunen.”