Kuieren, niet haasten

Wat zijn de kleine verhalen waar de moderne mens in gelooft? Wekelijks vertelt Arjen van Veelen zo’n moderne mythe. Vandaag: het strand.

‘MIDDELLANDSE ZEE KLEURT WÉL ORANJE’, schrijft Privé deze week. Het blad brengt een flink dossier over de vakanties van de Oranjespelers. We zien Wesley, Rafael en Nigel aan het strand. De bladspiegel is azuurblauw, de koppen zijn spottend: „WELVERDIENDE” vakantie. En: „SPELERS VIEREN VAKANTIE… ALSOF ER NIETS GEBEURD IS!”. Eerst verklooiden ze ons EK en nu liggen ze daar, in de zón, te geníéten, te drínken, uit ríétjes, te… te… Alsof er verdomme helemaal niets is gebéúrd!!!

Nu komt het gekke: de koppen zijn dan boos, maar het artikel zelf en de foto’s vertellen een ander verhaal: over hardwerkende papa’s die al pootjebadend eindelijk rust vinden; over hun vrouwen en hun vrouwenbesognes. Een milde, vertederende reportage.

We zien drie foto’s van Nigel – van de karatekick – die met zijn dochtertje speelt, in zijn hand een groen emmertje, zo eentje waarmee je zandkasteeltorens maakt. Bijna een scène uit The Blue Lagoon. Nigel haalt de schade in, want „gedurende het voetbalseizoen ziet hij zijn kroost veel minder dan hij zou wensen.”

Dan zien we Wesley en Yolanthe, vier foto’s. Ze lopen hand in hand over de boulevard, onafscheidelijk. Ze „genieten van elkaar” al zonnend en kuierend, staat er, „en vooral pratend”.

En hé, zien we daar in Saint-Tropez niet Rafael en Sylvie? Van die huwelijkscrisis? Ja hoor. Maar nu zijn het jeugdige tortelduifjes. Ze staan samen ver in zee, Rafael tilt Sylvie op, Sylvie slaat haar armen om zijn nek. Topkoppel.

We zien kuierend geluk. Zwoele, kommerloze lethargie. Voldaan gloeiende opperhuid. IJsjes, briesjes, gilletjes van gelukkige kinderen. We zien geen celebrity’s, maar onze eigen strandherinneringen, onze eigen vakantiefoto’s. De boosheid van Privé is gespeeld. Want onze sterren doen niet het verkeerde, maar juist het goede: ze doen net als wij. In dezelfde zee, onder dezelfde zon, met dezelfde emmertjes en besognes. Hoogstens is hun zand iets witter en fijner. Maar zie toch hoe ook de goden pootjebaden!

Ooit geloofden we dat we na een leven vol labeur in het paradijs zouden komen, waar we eindelijk een ijsje zouden krijgen. Maar de ongeduldige mens kreeg na lang dreinen voor elkaar dat hij – als compromis – telkens na één jaar werken alvast heel even naar het paradijs mocht. En dat paradijs lag aan zee.

Hoe dat daar kwam te liggen is een lang en raar verhaal (lees daarvoor: The Beach: The History of Paradise on Earth van Lena Lencek en Gideon Bosker of Sur la plage van Jean-Didier Urbain). Maar in het kort: eeuwenlang was de kustlijn een niemandsland, terrein van vissers en glibberige wonderbeesten. De eerste badplaatsen (achttiende eeuw) waren niet voor de fun, maar voor genezing. Het Kurhaus was een kuurhuis, een ziekenboeg. Het strand was verder desolaat haventerrein. Niks Crazy Piano’s: natte woestijn.

Pas zo’n tachtig jaar geleden gingen de kleren uit. Op dit strookje tussen zee en beschaving versimpelde het leven: zon, zee, zand. La Playa beheerst nu ons leven. We denken er het hele jaar aan, ook, of juist, als we er niet zijn. Let op hoeveel liedjes of reclames ons naar het strand lokken, die fantasie van easy living. De zee in ons hoofd is veranderd van asgrijs, de echte kleur, in blauw, de fantasie (zie ook: kindertekeningen).

Maar die fantasie is in praktijk een dwaas rollenspel met een ingewikkeld protocol.

Het draait hier om de huid. Die moet bruin, dat is móói, daar scoor je mee (sinds ca. 1930). Maar niet té bruin, dan ga je dood (sinds enige tijd). We kleden ons uit tot op ons ondergoed, dat anders van kleur en stof is dan normaal, en smeren elkaar in als hulpvaardige bavianen.

Aapjes in zwembroek. Nooit kom je dichter bij je soortgenoten uit andere klassen. Ja, in metro’s, maar dan ben je niet bloot. In de rij bij de strandtent sta je tussen blote lijven. Je mag er naar kijken – dat kan niet anders – maar niet staren. „Als lichamen naakt zijn, hebben ogen kleren aan”, schreef socioloog Ervin Goffmann. Daarom dragen we op het strand zonnebrillen.

Modder vinden we vies, maar een plakkerige mix van zandkorrels en zweet op de huid geldt als sexy. Het samen zien van een zonsondergang – een letterlijk alledaags verschijnsel – heeft enorme samenbindende impact op relaties.

Het strand kent speciale attributen in aparte kleuren. Zoals een metselaar weet om te gaan met schietlood en klauwhamer, zo weet de badgast feilloos wat te doen met schep en emmer.

Je mag kuieren op het strand, maar niet haastig lopen, zoals in de stad – tenzij je een kind bent en snel een schelp wil tonen aan papa. Wie te lang rechtop stilstaat is raar. Wie ligt is oké. Volwassen mensen mogen hier rennen en springen. Dat gaat vanzelf zodra ze zand voelen. Een bekende sprong, die vrijwel alleen op het strand voorkomt, is met armen en benen gespreid als een X, vitaal als ouderen in kunstgebitreclames. Het strand is een soort trampoline die ongefundeerde vreugdesprongen teweegbrengt.

Het gaat hier niet om hersens, maar om de huid – ons grootste orgaan. Alleen in de winter zijn er intellectuele eisen, als mensen naar zee gaan om te peinzen (maar ook om ‘het hoofd leeg te maken’, alsof hun brein een stofzolder is). Op televisie zie je soms mensen aan zee over zichzelf praten, met tussenshots waarbij ze naar zee turen, alsof ze een zeehond kwijt zijn.

Lichamelijke eisen stelt het strand trouwens wel: je moet in shape zijn. De criteria worden elk voorjaar aangekondigd door de H&M-bikini-campagnes.

Het strand, kortom, is een corridor waar we raar doen zonder dat dat raar is. Zand maakt ons dommer, jonger, simpeler. Tegelijk geldt er meer protocol dan op Buckingham Palace. Wie die spelregels volgt, wordt eventjes domweg gelukkig, of ziet er op zijn minst zo uit.

De voetballers in Privé lieten blijken dat ze die codes der gewone mensen kenden, de taal van het universele strand. Zij doen raar – net als wij. Nigel, de miljonair, met zijn emmertje, Wes en Yo halfnaakt kuierend, Rafael die Sylvie optilt – precies de juiste choreografie. In één week proberen ze in te halen wat ze een jaar lieten verslonzen. Zoals wij dat ook doen. Wij vergeven ze dus alles.

Hoogstens gek dat Sylvie haar zonnebril op had ver in zee. En die oorbellen, was ze hier soms haar sieradenlijn aan het promoten? Maar kom, het strand verzoent, de zon stemt mild. Leven is regels volgen en doen alsof je gelukkig bent. En soms, al doende, ben je dat ook echt.

„Het was geen gespeeld geluk”, schrijft Privé over Rafael en Sylvie. „Aan de Franse kust toverden een stralende zon, een duik in zee en zijn Sylvie in bikini al snel weer een lach op het gezicht van Rafel”. Alsof er niets gebeurd was.