Duitse psychotherapie: erken dat het heerlijk was om uitverkoren te zijn

Proces tegen Holocaust-organisator Adolf Eichmann in een Israëlische rechtbank, 1961/1962

Menig Duitser zal zich tijdens het EK geërgerd hebben aan nazistische verwijzingen van de tegenpartij. Begrijpelijk, want Duitsland heeft er alles aan gedaan om met zichzelf in het reine te komen. Een proces waar psychoanalyticus Margarete Mitscherlich in 1967 toe aanspoorde met haar boek Die Unfähigkeit zu trauern: Grundlagen kollektiven Verhaltens.

12 juni 2012 – aan de vooravond van de wedstrijd Nederland-Duitsland - stierf zij op 94-jarige leeftijd, maar ze zal voortleven als het nationale geweten van Duitsland. Het onvermogen om te rouwen, zoals de Nederlandse vertaling heet, leest eerder als een uitvoerige, krampachtig geschreven diagnose dan als een handig zelfhulpboek. Toch schudde dit werk, dat ze samen schreef met hoogleraar psychologie en echtgenoot Alexander Mitscherlich (1908-1982), een heel volk wakker uit een staat van ontkenning.

Niet met de sneer ‘jullie hebben het wel gewusst’, maar met een analyse van het gemankeerde zelfbeeld op collectieve schaal. “Wij hebben slechts heel weinig psychologische belangstelling ontwikkeld voor de motieven waardoor we tot aanhangers van een Führer werden die ons naar de grootste materiële en zedelijke ramp in onze geschiedenis leidde”, schrijft ze in het eerste hoofdstuk.

Herinneren, herhalen, verwerken

Mitscherlich begreep dat Duitsers deze vorm van ontkenning nodig hadden om de draad weer op te pakken, alle energie te stoppen in de economische wederopbouw, maar bleef benadrukken dat die ontkenning voortkwam uit een volkskarakter dat in niets verschilde van de verwarde toestand vóór de oorlog.

Wrokgevoelens riepen om een sterke man, aldus Mitscherlich. “Om dictatuur en terreur als ordescheppende machten, verbonden met God en het noodlot.” Een vriend-vijand-leer die haaks stond op het meer aantrekkelijke, maar foute idee dat Hitler een kabinetsoorlog voerde in plaats van een ideologische kruistocht. Een allesvernietigende strijd die mogelijk werd gemaakt door miljoenen, instemmende Duitsers.

Afrekenen met het verleden kon volgens Mitscherlich niet louter met juridische processen, zoals die in Neurenberg tegen nazileiders werden gevoerd. Nee, daarvoor was dieper zelfinzicht nodig. Erkennen dat “het heerlijk was om een volk van uitverkorenen te zijn”. Een geloof dat met het verliezen van de oorlog een deuk opliep, maar volgens Mitscherlich in 1967 nog niet weerlegd was.

Juist de juridische processen sterkten de Duitsers in het idee dat ze “onder druk van boosaardige vervolgers alles moesten doen wat we gedaan hebben - als het ware zonder in onze eer aangetast te zijn”. Alle gebeurtenissen waarbij Duitsers door schuld betrokken zijn, zo analyseerde Mitscherlich, “worden geloochend, in hun betekenis anders gewaardeerd, de verantwoordelijkheid ervoor op anderen geschoven, in elk geval bij een herbeleving niet verbonden met onze identiteit”. Freud indachtig, pleitte ze daarom voor herinneren, herhalen, verwerken. Rouwarbeid, zoals ze dit zelf noemt.

Traumatische ontwaarding van het Ik-ideaal

Rouw heeft in het boek een ingewikkelde betekenis. In de meest enge zin betekent het een emotionele reactie op het verlies van een naaste. Hitler was zo’n naaste: hij belichaamde het nationalistische, raciale familiegevoel van de Duitsers. Weliswaar was hij in onmin geraakt, ook bij de Duitsers die betrokken waren, maar desalniettemin familie - iets waarmee ze zich identificeerden en tegelijkertijd niets meer mee te maken wilden hebben. Die “manische afkeer” mag niet de overhand krijgen, protesteerde Mitscherlich.

Om in het reine te komen met jezelf moest je volgens haar de confrontatie aangaan met de warme, familiaire gevoelens die je eerder voor de meest verschrikkelijke tiran had. “Zijn val betekent een traumatische ontwaarding van het eigen Ik-ideaal, waarmee men zich zo verregaand vereenzelvigd had”, aldus Mitscherlich. Met andere woorden: rouwen is in dit geval nodig om het grootste verlies, een stukje van je eigen psyche, te verwerken.

http://youtu.be/63q8iIdJwoQ

Het stak Mitscherlich dat de Duitsers voor de makkelijke weg kozen. Ze gingen niet de confrontatie aan met schuld en schaamte (“Het inzicht dat er uit hun naam zes miljoen mensen gedood werden.”), maar wuifden hun verantwoordelijkheden weg met schuldafschuiving, relativering en zelfs slachtofferschap.

Daarmee vertoonde de gewone Duitser volgens Mitscherlich precies hetzelfde gedrag als de nazileiders die gestraft zijn, maar geen berouw toonden. “Het is gebleken dat nationaalsocialistische functionarissen - zoals Eichmann - niet in ernstige psychische benardheid geleefd hadden. Bovendien was niet iedereen direct nawijsbaar bij de volkenmoord betrokken en hoefde zich dus niet direct medeschuldig te voelen; en zo werden er met loochening en vergoelijking heel wat uitwegen gezocht uit de ellende. Depressieve reacties, zelfverwijten, vertwijfeling over de omvang der schuld die men op zich geladen had, waren veel zeldzamer.”

We wilden het niet weten

Rouw en berouw moesten daarom samenkomen. Twee ogenschijnlijk verschillende zaken die het naoorlogse Duitsland aanvankelijk in de war bracht. Rouwen om het verlies van nationale identiteit. Berouw om de verschrikkelijke dingen die uit naam van die nationale identiteit zijn gedaan.

Mitscherlich omschrijft dit treffend: “Waar schuld ontstaat verwachten we berouw en de behoefte om het weer goed te maken. Waar verlies werd geleden is treurnis, waar het ideaal werd geschonden, gezichtsverlies plaatsvond, is schaamte de natuurlijke consequentie.”

Wir haben es nicht gewusst, het stereotype antwoord op de ontdekking van concentratiekampen, werd door Margarete Mitscherlich teruggebracht tot de kern: we willen of wilden het niet weten. Haar boek staat daarom symbool voor de psychische wederopbouw van Duitsland.

Het is nog steeds de vraag of rouwen geleerd kan worden, zei ze op haar negentigste verjaardag tegen Die Welt. “Maar één ding is zeker: geen volk herinnert zich zijn eigen geschiedenis zo goed als Duitsland. Duitsers zijn erg moedig. Dat stemt me gelukkig.”