De markt wil Kasparov, maar zij krijgt Karpov

Wie luistert er nu eigenlijk naar wie? Vanmorgen was Europa getuige van een zeldzame trendbreuk: de positieve reactie van de financiële markten op de besluiten van de Eurotop van eind vorige week duurde langer dan één dag. De koers van de euro liep wel wat terug, met 0,3 procent, maar dat was na een sprong met 1,7 procent op vrijdag. En de Spaanse en Italiaanse rentes op tienjarige staatsobligaties, die vrijdag fors waren gedaald, liepen iets verder terug.

De Top, kortom, is voorlopig een klein succes.

Het is nu de vraag waar die conclusie vandaan komt. Laat de markt zich leiden door de kwaliteit van de besluiten die donderdagnacht genomen zijn? Of wordt achteraf geconcludeerd dat de beslissingen in het diplomatieke duister kennelijk goed genoeg zijn, omdat de markt er gunstig op reageert? Voorzichtigheidshalve, gezien de geschiedenis van marktreacties op ‘doorbraken’, is het beter uit te gaan van het laatste.

Kleine lettertjes zijn er nog genoeg. De slagkracht van het nieuwe Europese ESM-fonds, 500 miljard euro, is nog steeds niet groot. Het inzetten van dat ESM voor de herkapitalisatie van banken hangt op nog niet genomen besluiten over het bankentoezicht. Er is waarschijnlijk een wijziging van het ESM-verdrag voor nodig, met nationale ratificaties, om het fonds deze nieuwe taak te geven. En er is altijd nog de Duitse Bondsdag, die het laatste woord claimt over alles wat riekt naar kapitaalsoverdracht – hetgeen ook geldt voor aankopen van staatsobligaties van Italië of Spanje door het ESM.

Het probleem van elke Europese stap voorwaarts is dat de markt de schaker Kasparov wil, met grote halen en briljante strategische vergezichten. In plaats daarvan krijgt zij telkens Karpov, met minieme tactische zetten. Dat dit op termijn even effectief kan zijn, is een kwestie van geduld, maar als geduld beursgenoteerd zou zijn dan was het al lang een penny stock.

Toch moet niet onderschat worden wat het zou betekenen als Europa eindelijk de markt meekrijgt. Toen in de jaren negentig langzamerhand duidelijk werd dat de euro er echt zou komen, deed de markt het werk van de politici. De Italiaanse rente op staatsobligaties ging tussen begin 1995, toen het begon te dagen dat de gemeenschappelijk munt realiteit zou worden, van 13,5 procent naar 8 procent eind 1996 en daalde door naar 4,5 procent bij de start van de muntunie in 1999. Het zelfde gold voor Spaanse en Portugese rentes, en in extreme mate voor Griekse rentes die in 1992 nog op bijna 25 procent stonden: hoger dan nu.

Beleggers roken een kans op koerswinst met tientallen procenten, grepen die en maakten daarmee hun eigen voorspelling waar. Met de dalende rentes werden ook de overheidsfinanciën van de aspirant-eurolanden plots een stuk beter, hetgeen de overtuiging van de komst van de euro op zijn beurt weer versterkte. Dit is een klassiek voorbeeld van wat een positive feedback loop wordt genoemd. De negatieve variant heerst nu al jaren in de eurozone. Maar er is eigenlijk niet zo heel veel voor nodig om hem weer om te draaien. Een geloofwaardig, onomkeerbaar en afdwingbaar plan.

Vanaf begin juli vorig jaar, toen duidelijk werd dat Ierland relatief veilig was, steeg de beleggingsindex op Ierse staatsobligaties met 46 procent in minder dan twee maanden tijd. Het kan. En als er zo’n kans voor het grijpen ligt, dan wordt zij gepakt. Maar dan moet de volgorde wel zijn als die in de jaren negentig: de politiek dicteert, de markt luistert. Andersom is niet per definitie fout of verwerpelijk, maar er is nu tijd genoeg verspeeld aan deze variant.