De Bovenbazen (42)

Joost keerde de bank de rug toe en begaf zich verslagen huiswaarts. ‘Een crisis in de ddt,’ prevelde hij, terwijl hij door de herfstige dreven naar Bommelstein liep. ‘Ik weet niet, wat dat precies betekent, maar ik begrijp wel dat mijn spaarcentjes weg zijn. Het is héél droevig. Jarenlang heb ik mij ieder genot ontzegd, ik heb gepot en gespaard om iets opzij te kunnen leggen voor moeilijke tijden – en nu ben ik alles kwijt, als ik zo vrij mag wezen.’

‘Wat betekent dit nu?’ vroeg heer Ollie, die dezelfde zorgen had. ‘Ben ik alles kwijt? Al mijn geld, bedoel ik?’

‘Onzin,’ zei de heer Steinhacker, afwezig in zijn kast rommelend. ‘Iemand van de Bovenste Tien raakt nooit zijn geld kwijt, jongen. Een boven baas zuigt gewoon nieuw kapitaal aan.’

‘O,’ hernam heer Bommel onthutst. ‘Hoe moet ik dat doen? Dat zuigen, als u begrijpt, wat ik bedoel?’

‘Zeur niet!’ riep de magnaat geprikkeld uit. ‘Het aantrekken doet Steenbreek wel; maar wij moeten de grote lijn in de gaten houden.’

‘Ik zie geen lijn,’ begon heer Ollie klagend, doch aws viel hem in de rede.

‘Je bent nog een beginner,’ sprak hij. ‘Die insectenverdelging was te zwaar, dat is duidelijk. Geef de ddt maar terug; dan zal ik je het Generale Energie Syndicaat geven. Dat loopt vanzelf.’

Zo sprekende duwde hij zijn gast een dikke bundel papieren in de handen.