Uranium kruipt waar het niet gaan kan

techniek

Iran geeft geen openheid over zijn nucleaire programma. Als het land de inspecteurs van zich af zou schudden, zijn de ingrediënten voor een bom snel bereid.

En nóg is Iran niet gezwicht. Zes resoluties van de Veiligheidsraad verder, de één met nog strengere sancties dan de andere, en nog steeds weigert het de informatie te verschaffen waar de internationale gemeenschap om vraagt. Het werkt kalm door aan de voltooiing van zijn nucleaire programma. Ook de besprekingen vorige week in Moskou liepen vast. En niemand weet welke kant het op gaat.

De ongerustheid over het Iraanse programma bestaat nu 10 jaar. In augustus 2002 onthulde een Iraanse verzetsgroep dat Iran veel meer nucleaire installaties bezat dan het aan het VN-atoomagentschap IAEA had opgegeven. Als partij bij het verdrag tegen verspreiding van kernwapens, het NPV (Non-Proliferatie Verdrag), laat Iran zijn nucleaire installaties al sinds 1970 door het IAEA inspecteren. En het IAEA wist niet beter of die installaties bestonden uit een oude Amerikaanse onderzoeksreactor bij Teheran en een in aanbouw zijnde kerncentrale bij Bushehr waaraan sinds 1995 door Russische technici werd gewerkt. Verder waren er alleen wat kleine onderzoeksfaciliteiten.

Maar volgens de verzetsbeweging waren bij Natanz en Arak installaties in aanbouw die nooit bij het IAEA waren opgegeven. En het bleek te kloppen. Toen het agentschap er in 2003 een kijkje mocht nemen vond het bij Natanz twee ondergrondse fabriekshallen waar gascentrifuges voor uraniumverrijking werden geïnstalleerd. Bij Arak werd gebouwd aan een fabriek voor de productie van zwaar water. Korte tijd later bleek dat het zwaar water bestemd was voor een onderzoeksreactor die ook in Arak zou verrijzen. Deze reactor, de IR-40, is inmiddels praktisch voltooid en moet volgend jaar in bedrijf gaan. De zwaar-waterfabriek draait al.

Indringende gesprekken en inspecties van het IAEA brachten nog meer verzwegen inspanningen en installaties aan het licht. Belangrijke ontdekkingen waren dat er duidelijk militaire bemoeienis was met het verzwegen programma en dat het netwerk van de beruchte Pakistaanse metallurg dr. Abdul Qadeer Khan veel informatie én goederen had verstrekt. Het netwerk had in 1987 contact opgenomen met Iran en aangeboden behulpzaam te zijn bij de bouw van een complete uraniumverrijkingsinstallatie.

Het verweer van Iran was dat zwaar water niet onder het inspectieregime van het IAEA valt en en dat de in aanbouw zijnde verrijkingsinstallaties niet waren aangemeld omdat er nog geen uranium in was gebracht. Maar er werden gaandeweg zoveel verdachte transacties en activiteiten ontdekt dat het IAEA volledige opening van zaken eiste over de geschiedenis van Irans nucleaire programma. Iran is het IAEA daarin, in al die jaren, slechts gedeeltelijk tegemoet gekomen. Dat is nog steeds de kern van het huidige conflict dat verder escaleerde toen Iran resoluties van de Veiligheidsraad negeerde, weer door nieuwe resoluties (plus sancties) werd getroffen, die ook negeerde, enzovoort.

Veel argwaan wekte de ontdekking van een document van 15 pagina’s waarin werd beschreven hoe verrijkt uranium langs chemische weg weer in metaalvorm kon worden teruggebracht. Dat was verdacht omdat uranium en plutonium in atoombommen altijd als metaal, en niet als oxide, worden toegepast. Het bleek dat het ‘uranium metal document’ ook door het Khan-netwerk was geleverd. Maar we hebben er nooit om gevraagd, heeft Iran volgehouden, we kregen het ongevraagd geleverd bij de centrifuge-documenten.

Dramatischer was de ontdekking van een enorme hoeveelheid nucleaire informatie op de harde schijf van een Iraanse laptopcomputer die in de VS terecht kwam. Het was, volgens reconstructies in de Wall Street Journal (18 maart 2005) en de Washington Post (8 februari 2006) de computer van een Iraanse technicus die door een Duitse inlichtingendienst als informant was benaderd. De man werd gearresteerd, maar zijn vrouw wist de computer tijdig naar Turkije te smokkelen. Vandaar belandde hij halverwege 2004 bij Amerikaanse inlichtingendiensten. Het materiaal op de schijf gaat als ‘alleged studies’ of ook wel de ‘lap-top studies’ door het leven. Aanvankelijk hebben de Amerikanen de aangetroffen informatie voor zichzelf gehouden, later is die beetje bij beetje ter beschikking gesteld van het IAEA die er soms Iran mee confronteerde.

Het materiaal beschrijft in heldere termen, zij het in het Perzisch, tal van proeven en berekeningen die onmiskenbaar in verband staan met de ontwikkeling van een kernwapen. Onder meer wordt beschreven hoe de kop van een Shahab 3-raket moet worden aangepast voor het transport van een atoombom.

De klemmende vraag was: was dit geen vervalsing? Veel wapendeskundigen hebben lang getwijfeld, sommigen zagen er de hand van Israël in, maar de twijfel ebde langzaam weg en in november van het afgelopen jaar concludeerde het IAEA in een rapport dat veel journalistieke aandacht kreeg dat er alle reden was om aan te nemen dat de ‘alleged studies’ echt waren. Volledigheidshalve somde het agentschap op wat er zoal in stond, maar dat had het al eerder (onder voorbehoud) bekend gemaakt.

Buiten de media had de IAEA-conclusie niet veel repercussies. De Veiligheidsraad kwam niet met nóg een resolutie. De internationale gemeenschap bewandelt sinds kort weer de weg van diplomatieke overreding.

Het probleem is dat de ‘alleged studies’ dan wel echt mogen zijn, ze zijn inmiddels ook oud. Het jongste materiaal dat ze bevatten is van 2003. Dat valt nét voor de datum waarop Iran volgens de Amerikaanse inlichtingendiensten had besloten aan alle wapenkundige kanten van het nucleaire onderzoek (de ‘weaponization’, waarbij uraniumproductie ten dienste staat aan een kernwapenprogramma) een eind te maken. Een National Intelligence Review uit 2007 noteerde, tot veler verrassing, dat dit besluit in de herfst van 2003 was gevallen.

De reviews van de inlichtingendiensten zijn meestal geheim, maar van deze werd een publiekssamenvatting gemaakt. Wie het IAEA-rapport van afgelopen november goed las, stelde vast dat ook het atoomagentschap aanneemt dat het nucleaire wapenprogramma na een ‘halt order’ in het najaar van 2003 was beëindigd.

Of preciezer gezegd: het IAEA ging voor wat dit betreft af op het oordeel van ‘andere lidstaten’, een onafhankelijk oordeel was het niet, al lijkt het Bulletin of the Atomic Scientists (23 november 2011) dat wel te denken. Het Bulletin, bekend van zijn Doomsday Clock, vindt dat de wereld te hysterisch reageert op de Iraanse kwestie. Er deugt van alles niet aan wat de Iraniërs doen, noteert het met zoveel woorden, maar een kernwapen hebben ze nog lang niet en misschien willen ze dat ook wel niet hebben. Wat Iran doet is slechts ‘nuclear hedging’, nucleair voorsorteren. Zorgen dat je snel een kernwapen kunt maken als het moet.

De luchthartigheid van het Bulletin contrasteert met de toon van het Institute for Science and International Security (ISIS) dat in de kwestie Iran gezaghebbend is. De wis- en natuurkundige David Albright, oprichter en directeur van ISIS, onthulde nog in mei aan de hand van oude Iraanse telexen hoe intensief de militaire inspanningen van Iran tot in de jaren negentig waren geweest. Let wel: negentig.

Albright, destijds ook betrokken bij inspecties in Irak en vermaard om zijn contacten met het IAEA, lijkt overtuigd van de kwade bedoelingen van Iran. Hij is zo betrokken dat-ie complete schema’s opstelt voor de aanpak van het Iraanse probleem, inclusief sabotage.

Albright gaat er vanuit dat de bij Arak in aanbouw zijnde onderzoeksreactor IR-40 primair bedoeld is voor de productie van plutonium. Anderen hebben de reactor, die onverrijkt uranium gebruikt en koelt met zwaar water, zelfs een typische plutoniumreactor genoemd. En inderdaad hebben kernwapenstaten als de VS, Rusland, Engeland en Frankrijk in het verre verleden plutonium geproduceerd met behulp van onverrijkt uranium (soms met grafiet in plaats van zwaar water), maar dat was altijd in de eerste plaats omdat ze geen uranium kónden verrijken. Toen Iran tot de bouw van de IR-40 besloot had het ook nog geen verrijkingscapaciteit.

Wie echt weapon grade plutonium wil produceren, zeggen geraadpleegde Nederlandse deskundigen, kiest bij voorkeur een reactor die gemakkelijke splijtstofwisseling toestaat. Alleen als een staaf uranium kort in de reactor verblijft, kan er de juiste soort plutonium uit ontstaan. En voor grootschalige plutoniumproductie zou je snellekweekreactoren kiezen.

De IR-40 is dus misschien minder suspect dan hij lijkt. Maar een niet te negeren feit is dat Iran, na in 2003 min of meer open kaart gespeeld te hebben met het IAEA, later weer opnieuw aan geheime projecten is begonnen. In 2009 onthulde het opeens dat het bij Qom nog een uraniumverrijkingsinstallatie had gebouwd. Dat was het IAEA totaal ontgaan. Wat ook veel argwaan wekt, is dat Iran IAEA-inspecteurs geregeld de toegang verbiedt tot bepaalde installaties en ander sites, waar militaire nucleaire activiteiten worden vermoed, opeens plat bulldozert. In Irak gebeurde destijds hetzelfde.

Wie bereid is voorbij te gaan aan alle vroegere weaponization-pogingen van Iran, omdat ze inmiddels zijn opgegeven of omdat het nooit de bedoeling was écht een kernwapen te maken, blijft toch zitten met een hardnekkig probleem: het huidige Iraanse kernprogramma is niet logisch.

Er wordt veel meer uranium verrijkt dan Iran gebruiken kan. De kerncentrale bij Busher krijgt zijn splijtstof uit Rusland. De IR-40 gaat op onverrijkt uranium draaien. Blijft over de kleine, oude Tehran Research Reactor (TRR) die in 1993 nieuwe splijtstof kreeg uit Argentinië. Volgens berekeningen van Albright verbruikt hij in vol bedrijf 10 tot 20 kilo uranium (dat nog niet 20 procent verrijkt is) per jaar. Wat wil Iran dan met die duizenden kilo’s laagverrijkt uranium die het nu al heeft? ‘We gaan nog meer onderzoeksreactoren bouwen’, heeft het land laten weten. Een wapenprogramma kan natuurlijk ook veel uranium opnemen.

Maar vraag je Nederlandse nucleaire deskundigen naar een oordeel over de Iraanse bezigheden dan zeggen ze: we weten het niet.