Column

Serieuze zomervragen

Foto Jelijn Knip

Dit is voorlopig de laatste aflevering van deze rubriek. Volgende week gaat de krant in de zomerstand en daarin ontbreekt de alledaagse wetenschap. Het leek een goede gedachte om de lezer bij het afscheid problemen mee te geven waarmee hij zelf aan de slag kan. Zomerproblemen, maar toch problemen die niet onderdoen voor de vraagstukken waarmee ander disciplines zich bezig houden. En belangrijker nog: onopgeloste problemen. ’t Is geen spelletje.

Het eerste betreft de vraag of het waar is dat men in de volle zon eerder dronken wordt dan in de koele schaduw. Of om het formeler uit te drukken: of het waar is dat de prestaties eerder (of erger) van alcohol te lijden hebben als de alcohol in de volle zon genuttigd wordt. Velen klinkt het aannemelijk genoeg in de oren en kijk het na op internet: heel Amerika gelooft het. ‘Sun can maximize the effects of alcohol’, waarschuwen schoolhoofden, decanen en politiemannen. De Nederlandse varianten zijn niet ver te zoeken.

Maar vreemd genoeg is nergens literatuur te vinden die het ook bewijst. Niet gewoon op internet, niet onder Google Scholar en niet op PubMed, de medisch-biologische databank. Er zijn wel treffers op de combinatie ‘alcohol’ en ‘sun’, maar die komen van Chinezen die Sun heten.

Er ìs nooit echt onderzoek naar gedaan, zegt de site alcoholinfo.nl van het Trimbos-instituut. Wat we weten is dat door warmte de bloedtoevoer in de bloedvaten toeneemt en dat de alcohol zo sneller van maag en darmen in het bloed terecht komt en sneller wordt verspreid. Hierdoor nemen de hersenen het ook sneller op.

Het staat niet ver van wartaal, maar we begrijpen dat het Trimbosinstituut wèl weet hoe de zon het alcoholeffect versnelt of versterkt maar nog niet of dat ook gebeurt. Andere sites zien een nog eenvoudiger mechanisme: in de zon droog je uit, daardoor zit er minder water in de lichaamscellen, ook in die van de hersenen, en daardoor loopt bij gelijkblijvend alcoholgebruik de alcoholconcentratie in de zon sneller op. Voilà.

Wie zich voorstelt hoe je de kwestie zou moeten onderzoeken ziet onmiddellijk de methodologische moeilijkheden. Maar die zijn te overwinnen en het wordt tijd dat het daar eens van komt.

Hetzelfde geldt voor het onderzoek naar de houdbaarheid van de volkswijsheid dat men nooit direct na het eten mag gaan zwemmen. Altijd een half uur wachten! Liever een heel uur! Liever nog langer. Het aardige van deze wijsheid is dat men er in brede kring aan begint te twijfelen. De New York Times deed dat al in juni 2005. Nu is de aarzeling op veel plaatsen aan te treffen. Natuurlijk moet je niet direct gaan zwemmen of hardlopen als je heel veel hebt gegeten, en vooral niet als je er ook heel veel bij dronk, maar het is niet duidelijk wat je zou kunnen overkomen na een paar boterhammen. De meesten komen uit op kramp. Kuitkramp.

En ze weten ook hoe de kuitkramp ontstaat: na een maaltijd trekt alle bloed naar de darmen en dan zitten de spieren zonder zuurstofvoorziening. Het bloed is het verbindend element vandaag.

Niemand weet waar de wijsheid vandaan komt. Enkelen vermoeden dat-ie wel meer dan vijftig jaar oud is, maar dat is te zwak uitgedrukt, hij is zeker een eeuw oud. Het boekje ‘Hoe leer ik zwemmen’ uit de ‘Weten en Kunnen’-reeks van Kosmos (1933) wees de weg. ‘Het zwemmen kort na den maaltijd is steeds af te raden. In opzettelijke proeven heeft Lecam den invloed bij zichzelf nagegaan door 5 min. na het gebruik van een flink maal te gaan zwemmen. Telkens is hij overvallen door duizelingen, onpasselijkheid, hoofdpijn, enz.’ De genoemde Lecam was de Franse arts Eugène-Louis-Anatole Lecam. Hij behandelde de medische aspecten van het zwemmen in een proefschrift waarop hij in 1911 promoveerde.

In dat onderzoek naar de invloed van een flink maal heeft hij geen navolgers gekregen. PubMed zweeg. En ook hier zijn de methodologische moeilijkheden duidelijk: de klachten zijn niet erg te objectiveren en veel hangt dus af van zelfrapportage. Maar aan de kuitkramp heeft men toch wel houvast. Er is wat aan te doen.

De foto slaat op het laatste probleem, dat van de ‘ice-cream headache’ dat kinderen tegenwoordig brainfreeze noemen. Wie snel veel koud ijs naar binnen werkt kan worden getroffen door een stekende hoofdpijn die één of twee minuten aanhoudt. 30 tot 40 procent van de ijseters blijkt de ervaring te kennen. Wanneer het verschijnsel voor het eerst beschreven werd viel niet na te gaan. Artikelen over ‘cold induced headache’ of ‘cold stimulus headache’ verschenen al in de jaren veertig, maar de pijn moet toch veel eerder gevoeld zijn, zou je zeggen. Er wordt al eeuwen ijs bereid.

De verklaring voor de hoofdpijn hangt weer aan bloed en bloedvaten, maar daar gaat het nu niet om. En ook niet om het wetenschappelijk debat of migrainelijders juist meer of juist minder gevoelig zijn voor de ijspijn. Een korte inventarisatie in AW-omgeving wekte de indruk dat het bij uitstek kinderen en adolescenten zijn die last hebben de koude. Veel meer dan volwassenen. Voor zover dat viel na te gaan is hiernaar nooit onderzoek gedaan. Het zal weer neerkomen op zelfrapportage maar in dit geval lijkt het niet zo’n probleem. Wie meldt pijn als hij geen pijn voelt?