Parijs – corrupt, zedeloos, slaafs, narcistisch

Onze correspondent Dirk Vandenberghe neemt na anderhalf jaar afscheid van Parijs. Een stad die bij de meeste Fransen geen warme gevoelens oproept. „Dit is Parijs niet hoor.”

Onder een brug van Canal Saint-Martin. Yaya roostert hier soms een zelf gevangen duifje. Foto AFP

Anderhalf jaar lang wandelde ik hem een paar keer per week voorbij, op weg naar de kiosk of de bakker. Hij heeft zijn vaste stek, tegenover de ingang van de fitnessclub, waar de geur van chloorwater uit de roosters opstijgt. Meestal zit hij er gewoon voor zich uit te staren, terwijl hij wazig de ochtenddrukte op en rond de Place de la République bestudeert. Soms maakt hij een praatje met de blonde kantoorvrouw die hem iedere ochtend een bekertje koffie brengt, op vrijdag met een croissant. Bij mooi weer is soms zijn mooie, ver dragende basstem te horen die de passanten vrolijk maakt. Ook al begrijpen de meesten niet waar die Afrikaanse teksten over gaan. Het zijn liedjes in het Dioula, een van de dialecten uit Ivoorkust. Waarover ze gaan? „Over de liefde natuurlijk.” Hij lacht zijn weinige tanden bloot.

Pas afgelopen week, nu ik afscheid neem van Parijs, heb ik een praatje gemaakt met de man wiens pad ik hier het vaakst heb gekruist. Yaya is een van de duizenden daklozen in de hoofdstad. Ieder quartier in Parijs heeft zijn dakloze. En Yaya is die van ons. Bij vrieskou brengen buurtbewoners een extra deken, de meest bezorgde vraagt of hij de nachtopvang niet moet bellen. Stedelingen zijn solidair met hun dakloze. Maar met mate. Misschien is het om het eigen geweten te sussen. Ieder jaar sterven ongeveer vierhonderd daklozen op straat, ze worden eenzaam begraven. Maar daar wil Yaya niet over praten. Hij heeft het goed hier, de mensen zijn vriendelijk maar niet opdringerig en sommigen zijn zelfs genereus. Yaya heeft zijn ‘vaste klanten’. Hij houdt van zijn buurt. Hij houdt van Parijs. Hij gaat hier nooit meer weg.

Misschien zijn daklozen als Yaya wel de laatste Fransen die écht van Parijs houden. Ja, uiteraard, iedere Fransman is het erover eens dat Parijs de mooiste stad ter wereld is, en iedere Fransman is er ook minstens één keer geweest, al was het maar met de verplichte schooluitstap. Nergens anders is het steen en staal zo mooi en liefdevol vormgegeven als in Parijs. Maar bij de grote stations getuigen de namen van de brasseries van heimwee naar de Elzas of de Auvergne. En al enkele kilometers buiten de stad is Parijs synoniem voor alles wat verkeerd loopt in dit land. Het is een afkeer die dieper zit dan de traditionele afgunst jegens een welvarende hoofdstad, die je elders ook wel aantreft .

Parijs is corrupt. Zelfs ex-president Jacques Chirac werd uiteindelijk veroordeeld, al was het dan tot een voorwaardelijke celstraf. Er gaat geen maand voorbij of een politicus, rechter of andere gezagsdrager raakt in opspraak.

Parijs is zedeloos. Het kostte Dominique Strauss-Kahn, zijn baan bij het Internationaal Monetair Fonds, zijn reputatie en zijn toekomst als bewoner van het Elysée.

Parijs is spilziek. De Assemblée Nationale is het duurste parlement ter wereld, het ambtenarenapparaat is het grootste van de Europese Unie. En de pensioenleeftijd een van de laagste van Europa.

Parijs is narcistisch. De hoofdstad heeft alleen aandacht voor de hoofdstad, overal elders in het land voelen bewoners zich in de steek gelaten. Banen verdwijnen, ziekenhuizen en artsen verdwijnen, de lokale treinen hebben plaatsgemaakt voor het TGV-netwerk dat helemaal is gericht op Parijs.

Parijs is bemoeiziek, met zijn duizenden centraal opgelegde regels die in de provincie op naleving worden gecontroleerd door de prefet de police. Maar in de kroegen op het anarchistische platteland wordt gewoon vrolijk verder gerookt. En de plaatselijke agent knijpt met goedkeuring van de prefect een oogje dicht. Rookverbod? Typisch iets voor de Parijse bourgeois, die nu zelfs al op hun terrasjes geen Gitanes meer mogen opsteken.

Parijs is slaafs. Politici lopen er aan de hand van Berlijn en Brussel en hebben zo het goede oude Frankrijk, het zelfstandige Frankrijk om zeep geholpen. De geest van generaal Charles de Gaulle, de man die ‘neen’ durfde te zeggen tegen vreemde grootmachten, waart nog rond in de provincie. Niet geheel toevallig in de Ardennen, vlak bij Colombey-les-deux-Églises waar de oud-president begraven ligt, noteerde ik de roep om een nieuwe sterke leider. Er was voor zes dorpen nog maar één bakker, en dat was, aldus mijn gesprekspartner, mede de schuld van…

Parijs is leugenachtig. Met politici die ‘ons brave burgers’ de waarheid niet durven te vertellen, de waarheid over komende bezuinigingen en de harde tijden die Frankrijk te wachten staan.

Nu waart wel door meer regio’s in Europa het spook van de antipolitiek. En ook elders zijn anti-establishmentpartijen van rechts-nationalistische en links-nationalistische snit aan een opmars bezig – vaak gaat dat gepaard met boosheid.

Maar in Frankrijk viel me ook telkens weer de gelatenheid op, de tristesse waarmee de angst voor de onzekere toekomst werd verwoord. Door de boer in de Ardennen die weet dat er geen opvolger klaarstaat voor het familiebedrijfje, door de zeeman in Calais die de veerdiensten en dus zijn baan ziet verdwijnen, door de ex-metaalarbeider in Florange die al meer dan een jaar werkloos is, door het pientere moslimmeisje met hoofddoek vlakbij Nîmes dat er van droomt om in de VS te gaan studeren, omdat ze in Frankrijk geen toekomst meer ziet.

Als zij het over Parijs hebben, klinkt het als een vloek. En ze zijn blij dat ze daar niet hoeven te wonen, in het symbool van alle kwaad. „Dit is Parijs niet hoor”, zei een bewoner van de banlieue in Toulouse, als simpele verklaring waarom daar geen rellen zouden uitbreken na de dood van Mohamed Merah, die zeven mensen, onder wie drie Joodse kinderen, had vermoord. Hij voegde er ter verduidelijking nog aan toe: „Parijs is opgefokt. Hier spreken we nog met elkaar.”

Niet alleen buitenlanders, maar ook de Fransen zelf vinden de Parisiens vaak maar arrogant. En dan is er volop leedvermaak als iets misloopt in de hoofdstad. De sportkrant L’Equipe hield twee speeldagen voor het einde van de voetbalcompetitie een enquête onder voetbalfans: wie van de twee titelkandidaten, Paris Saint-Germain of Montpellier, zagen zij het liefst kampioen worden? Montpellier won, met negentig procent van de stemmen. De supporters van het Noord-Franse Lille vonden het helemaal niet erg of vreemd om hun team in blessuretijd met 1-0 te zien verliezen in Montpellier, want dat betekende dat de ploeg uit de hoofdstad alweer naast de prijzen zou grijpen. Ondanks de honderden miljoenen die werden geïnvesteerd door de eigenaars uit Qatar.

Maar daar heeft Yaya allemaal geen boodschap aan. Voor Yaya is het leven altijd al hard geweest, voor voetbal heeft hij geen geld en voor politiek geen interesse. Volgens de critici is Yaya het gevolg van een falend beleid, het gevolg van alles wat al jarenlang misloopt in het land, en vooral in de hoofdstad. Yaya haalt de schouders op, hij verwacht niet dat iemand hem begrijpt. Hij ziet zichzelf niet als onderdeel van een groter geheel. Hij geeft ook niemand de schuld. Hij heeft gewoon een beetje pech gehad. Yaya overleeft, en dat kan hij nog altijd het allerbeste in Parijs. Waar voldoende kruimels van de rijk gedekte tafels vallen. Waar hij doorgaans met rust wordt gelaten en hem geen vervelende vragen worden gesteld. En waar hij onder een wandelbrug aan het Canal Saint-Martin een zelf gevangen duifje kan roosteren als dat zo uitkomt.

Dit is het laatste artikel van Dirk Vandenberghe als onze correspondent in Frankrijk. Hij wordt verslaggever voor het Vlaamse weekblad Knack.

    • Dirk Vandenberghe