Laat het kind weer zelf lopen

In de strijd tegen overgewicht zouden kinderen veel meer moeten lopen en fietsen. Helaas zijn ouders te gemakzuchtig, betoogt August Hans den Boef.

Nederland , Amsterdam , 11-07-2009 Drie vaders nemen hun taak in het gezin als vader serieus en nemen hun dochters en zoon mee naar het Amsterdamse Bos. De dochters verkiezen de nek van hun vader boven een voettocht en laten zich meedeinen op de schouders van pa. Foto ; Pim Ras / Hollandse Hoogte Pim Ras/Hollandse Hoogte

Op het prikbord in mijn werkkamer hangt een prachtige foto die ik uit de Volkskrant heb geknipt. Uit een artikel over tuincentra en hun klanten. Je ziet een jonge moeder, cool gelaarsd, in kek leren jasje met een karretje. Daarin bevinden zich niet de gebruikelijke planten plus zakken aarde, maar boven in het karretje hangt een kleuter met stoere windbreker, brutaal grijnzend in de camera, en onderin lummelt een iets oudere versie in trainingspak.

Je ziet het overal. In de supermarkt staan kinderen op de uitgeklapte houder van het winkelwagentje. In het park laten ze zich vervoeren op de schouders van steunende en puffende ouders. Symbolisch voor het hedendaagse kindertransport is wat Martin Bril ooit de „baarmoederbakfiets” noemde. Soms hangt een dikkig kind van elf jaar in zo’n bak, met achter hem een fragiel, petieterig moedertje dat zich lens trapt tegen een brug op.

Kinderen wordt het lopen en fietsen steeds meer ontnomen. Vreemd genoeg wordt dit verschijnsel in de discussie over obesitas vaak over het hoofd gezien. Terwijl het de basis voor een gezond bestaan vormt. In je dagelijkse leven moet je juist zo veel mogelijk lopen, ook trappen op en af. En fietsen, ook langere afstanden. In huis, op je werk en, om met de dichter Nijhoff te spreken, tijdens de sublieme momenten daartussen.

Intussen groeit het probleem van overgewicht. Eerder deze week maakten minister Schippers (VVD) en staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten (CDA) van Volksgezondheid bekend 26 miljoen euro uit te trekken om pubers op de leeftijd van vijftien jaar te gaan screenen, onder meer om overgewicht te onderkennen en te bestrijden.

Op dit moment is een op de zes kinderen te zwaar, in 2015 waarschijnlijk een op de vijf. Uit de laatste studie van TNO naar de groei van kinderen blijkt dat inmiddels een half miljoen kinderen overgewicht hebben, en 75.000 lijden aan morbide obesitas. Een verdubbeling sinds 1995.

Volgens Jaap Seidell, hoogleraar voeding en overgewicht aan de Vrije Universiteit Amsterdam, groeit parallel hiermee ook het aantal kinderen met ouderdomsdiabetes snel.

Op allerlei terreinen bloeien activiteiten om de kleintjes verstandiger te laten eten. In 2005 werd het Convenant Gezond Gewicht gesloten, met de voedingsindustrie, overheden en maatschappelijke organisaties. De campagne van dit typische polderakkoord voor gezonder eten mislukte – natuurlijk – want met slagers kweek je moeilijk vegetariërs.

Maar de belangrijkste strategie om obesitas te voorkomen, is bewegen. De nationale scholenactie ‘Ga voor gezond!’ stimuleert bijvoorbeeld al vijf jaar behalve gezond eten ook bewegen. Zeventig scholen in Amsterdam doen bovendien mee aan het ‘Jump-in-project’, dat kinderen tot bewegen moet aanzetten.

Enigszins hilarisch steekt hierbij de poging af van de lobbyisten die de Olympische Spelen in 2028 naar Nederland willen halen. Zij proberen mee te liften in de slipstream van de strijd tegen obesitas. Het argument luidt dat „in de aanloop van de Spelen natuurlijk heel Nederland wil sporten”, en dus is het een geweldig wapen in de strijd tegen jongerenobesitas.

Dit beperkte denken over bewegen wijst op een blinde vlek voor de realiteit. De meest natuurlijke vorm van beweging voor ieder mens, vertellen artsen en andere deskundigen, is niet zwoegen op de sportschool, afzien in het fitnesshonk, zweten op de trimbaan of de tower of power. Evenmin het beoefenen van aardige sporten in groepsverband. Het is gewoon: veel lopen en fietsen.

Dat het er juist steeds minder van komt is mede omdat ouders zich te veel laten leiden door gemakzucht, zo stellen deskundigen. Al in 1955 wees de Deense antropoloog Flemming Quaade in zijn dissertatie op de cruciale rol die ouders van jonge kinderen spelen in het ontstaan van obesitas. Een kind dat klaagt over moeheid, houdt op als je het in de kar zet. Bovendien kan het zo niet weglopen. Je kunt kinderen uiteraard leren om in winkels niet te verdwijnen en niet overal aan te zitten, maar daarvoor moet je heel wat tijd en moeite investeren. Zijn de kleinen eenmaal aan het transport gewend, dan eisen ze voortaan dat ze niet hoeven te lopen. De jengelfactor, heet dat. Omdat ouders tegenwoordig meestal een onderhandelingsrelatie met hun kinderen onderhouden, zullen ze vaak aan die factor toegeven. Dat doen ze ook als het om snoep en fastfood gaat.

Kort door de bocht: moderne vormen van kindtransport zijn per definitie voor het ouderlijk gemak vervaardigd. Zo is de buggy speciaal voor het autovolk ontworpen. Veel ruimte hebben zuigelingen niet, terwijl ze eigenlijk lekker moeten kunnen spartelen, zoals dat in een ouderwetse kinderwagen nog wel kon. Dit uitvindsel bereidt de kinderen vervolgens automatisch voor op het ingesnoerde bestaan in een veiligheidsgordel. Voor de tijd dat ze leerplichtig zijn en hun bezorg(en)de ouders verkeersopstoppingen bij basisscholen gaan veroorzaken. De tijd dat ze naar winkels, zwembaden en andere sportieve locaties gereden worden. Het is niet alleen slecht voor de fysiek, maar ook de motoriek van deze peuters om rondgereden te worden in plaats van zelf te lopen, steppen of fietsen.

Conclusie? Getransporteerde kinderen lopen een hoog risico op obesitas. En kinderen die al op jonge leeftijd te dik zijn, blijken gedoemd dat hun leven lang te blijven.

Misschien moeten er daarom speciale cursussen komen voor jonge ouders. Niet hoe ze een pedofiele schoolmeester moeten herkennen, maar hoe ze hun kinderen kunnen trainen om in winkels niet weg te lopen. En wellicht assertiviteitstraining om in de onderhandelingen met de kleinen het gezonde dagelijkse bewegen op te dringen.

Wellicht kan de overheid hierin ook een actieve rol vervullen. Nu worden ouders slechts bereikt als een kind net geboren is, via het consultatiebureau. Als bekend, willen ouders niet dat de overheid zich met hun kinderen bemoeit. Deze houding echter moeten we negeren, zoals eerder het protest van tabaksfabrikanten tegen ‘betutteling’, wanneer wettelijk beperkingen van roken werd bepleit.

Kortom, wanneer jonge kinderen zoveel mogelijk lopen, steppen en fietsen, bouwen ze aan een conditie waarop het latere sporten en bewegen naadloos kan aansluiten. Het kost de ouders geen geld, maar inderdaad wel veel tijd en geduld. Wie heeft dat niet over voor de toekomst van zijn kind?

August Hans den Boef is essayist en publicist. Hij schreef onder meer het boek [Haat] als deugd. Kritische notities over taal, politiek en religie.

    • August Hans den Boef