Jagers worden zelf prooi

In Zuid-Amerika leven mieren die je beter niet kan bestelen. Wespen, kevers en vliegen die toch proberen hun voedsel af te pakken, worden vaak zélf gevangen en opgegeten.

De mieren kun je vinden onder de blaadjes van bepaalde bomen in het regenwoud. De haakjes op hun pootjes grijpen zich vast in de pluisjes op de onderkant van het blad. Net als klittenband. Zo blijven de mieren aan het blad plakken.

Als honderd zwarte brandweermannetjes hangen de klittenbandmieren rond het blad. Alleen hun sterke kaakjes steken nog boven de bladrand uit. Zodra een insect het blaadje laat trillen, een sprinkhaan of mot misschien, komen de mieren tevoorschijn en pakken ze hun prooi vast. Pech gehad!

Samen kunnen de mieren prooien vangen die 13.000 keer zo zwaar zijn als zijzelf. Als wij mensen net zo sterk zouden zijn, zouden we in groepjes vliegtuigen kunnen vangen.

De mieren nemen hun slachtoffer niet meteen mee naar hun nest. Eerst hakken ze de prooi rustig in mootjes.

Op de geur van het dode insect komen rovers af, zoals wespen en kevers. Lekker makkelijk, denken die. Even een stukje sprinkhaan gappen.

Maar dat is fout gedacht, ontdekten Franse biologen (hun onderzoek stond op 26 juni in Naturwissenschaften). Zodra de dief op het blad landt, komen de mieren weer in actie. Hap. Knauw. Dat is fijn: een dubbel feestmaal.

Het gebeurde maar een paar keer dat een dief kon ontsnappen. Eén roofwesp was bijvoorbeeld zo slim om direct op de dode prooi te landen. Zo kon hij toch een stukje meenemen.

De gelukkige wesp vloog gelijk terug naar zijn wespennest om te vertellen waar hij dat lekkers gevonden had. Dat had hij beter niet kunnen doen. Vier wespen volgden zijn raad op, en gingen een kijkje nemen. Ze werden alle vier door de klittenbandmieren gevangen en opgepeuzeld.