‘Ik pas alleen in het hokje Ted Noten’

‘Kunstenaar van het jaar’ Ted Noten neemt een sabbatical. In het Amstel Hotel legt de sieraden- maker uit waarom. ‘Ik moet weer ontdekken waar ik zin in heb.

Sieradenontwerper Ted Noten en de ‘prijzenkast’ in zijn atelier.

Mmh”, zucht Ted Noten. „Lekker.” Hij drukt zijn neus tegen de messing trapleuning. De trap brengt ons naar de serre van het Amsterdamse Amstel Hotel. Hij klopt met een vlakke hand op de leuning als een boer die een koeienflank keurt, veegt zijn neus er nog eens lang en snuift diep. „Brillo. Ruik je? Brillo metaalpoets.”

Ted Noten (55) is sieradenmaker. Je kunt ook zeggen: hij is een kunstenaar die sieraden maakt. Hij is met 40.000 internetstemmen verkozen tot Kunstenaar van 2012. Hij krijgt 10.000 euro en – daar is hij nog het blijste mee – hij heeft gewonnen van beeldend kunstenaars, en ook nog van bekende beeldend kunstenaars. Erwin Olaf, Marlene Dumas en Anton Corbijn. „Het mooie van die prijs is dat het vak van sieradenmaker na een eeuw weer in ere is hersteld.” Hij grijnst. „Goeie coup hè?” Hij heeft het geluk, zegt hij, dat zijn werk nergens past. Is het design? Kunst? Een ambacht? „Het past alleen in het hokje Ted Noten.”

Zijn sieraden zijn niet per se bedoeld om elke dag te dragen. „Al draag je het maar één keer, als je je kist ingaat.” Hij maakte ooit een ring voor de vrouw van een vriend. „Mooi ding. Maar zij zegt: ‘Die ring, Ted, die kan ik toch niet dragen? Veel te groot. Met zoiets om kon ze niet eens afwassen.” Hij herhaalt: „Af-was-sen.” Hij heeft haar een afwasmachine cadeau gedaan.

Bekend werd hij met zijn broches die hij maakte uit de carrosserie van een Mercedes, met zijn tassen van doorzichtig acryl met daarin een dood muisje met een parelsnoer, of een lijntje cocaïne, of een Uzi (een Amerikaan kocht het voor 95.000 dollar). De laatste paar jaar maakte hij zijn sieraden graag met de computer en een 3D-printer.

Maar nu maakt hij niks. ‘Ted goes sabbatical until further notice’ staat in zijn out of office reply. Ik vraag waarom.

Hij leunt achterover, strekt zijn benen, zijn lichaam vult het witte kunststof kuipstoeltje. Hij wiebelt met zijn grijze, suède puntschoenen. Ik zie zijn grijze enkelsokjes, een randje harig mannenbeen erboven, zijn blauwe hemd met korte mouwen spant om zijn buik. Ik snap wel dat hij in de serre wilde zitten, waar het rustig is en minder stijfjes dan beneden in het restaurant. Hij antwoordt, met zijn flodderige, Limburgse accent: „Je moet niet vragen wat de reden is, je moet vragen naar het doel.” Ik vraag wat het doel van zijn sabbatical is.

„Ik moet weer ontdekken waar ik zin in heb”, zegt hij. „Me niet meer laten opjagen, zelf niet meer jagen. Even rust. De tijd nemen voor dingen. Normaal zou ik vandaag de kortste weg naar hier genomen hebben. Nu fiets ik om.”

Rock-’n-roll

Zijn werk wordt over de hele wereld verkocht, hij exposeert in galeries in Chicago, New York en Tokio. „Zulke verleidelijke omgevingen.” Ik vraag wat er dan zo verleidelijk is. Mán, zegt hij en kijkt stomverbaasd. „Seks, drugs, rock-’n-roll. Ik ben kunstenaar, weet je nog?” Waar hij ook van af moet kicken is de ambitie, de eerzucht en de ijdelheid. „Ik word voor van alles gevraagd. Workshopje hier, lezinkje daar, weer een interview.” Nu allemaal even niet, dus. En trouwens, roken doet hij ook niet meer.

En ja, zegt hij als ik ernaar vraag, hij is ook ziek geweest. Hij schuift het onderwerp snel terzijde, mompelt dat het „een lang verhaal” is. Ik zeg dat als hij zo geheimzinnig doet, mensen vast denken dat hij overspannen was. Hij griezelt. „Of dat ik een burn-out had.” Dat was het allemaal niet. Zijn ziekte had te maken met de tumor die op zijn zesentwintigste uit zijn hoofd is verwijderd. Sindsdien heeft hij geen hypofyse meer. „De hypofyse is de generaal van het lichaam”, zegt hij. Het regelt de hormoonhuishouding.

Begin dit jaar raakte hij een paar keer bewusteloos. „Ik zou les gaan geven in Amerika. Dat moest ik afzeggen. Ik dacht: de gelegenheid maakt de dief, ik zeg alles af.” Het gaat nu beter met hem, maar hij blijft niets doen totdat hij zich gaat vervelen. Hij kan het zich permitteren. „Hoe zegt Bob Dylan het? Als je niets hebt, heb je niets te verliezen. Ik huur mijn huis, mijn auto is tweedehands, en ik heb geen kinderen. Gelukkig niet.” Zijn vriendin is studentendecaan op een HBO school in Den Bosch. „Ik heb een interstedelijke, serieel monogame, kinderloze relatie. En die duurt al 18 jaar.” Hij gaat steeds vaker naar haar toe. „Haar huis is mijn datsja. Daar heb ik rust.” In Amsterdam, waar hij woont, ligt de „hectiek altijd op de loer”.

Hij heeft zich voorgenomen een hamburger te bestellen. Samenzweerderig: „Dat kan, hè. Het staat niet op de kaart, want het is voor de roomservice.” Daar is hij achtergekomen toen hij hier een half jaar geleden voor het eerst kwam en iemand zo’n lekkere hamburger zag eten en vroeg hoe hij daaraan kwam. Hij doet zo geroutineerd mogelijk zijn bestelling bij de Engelssprekende serveerster. Ze kijkt er niet van op. Hij, opgetogen: „Het kan gewoon. Zie je? Het kan.”

Het nadeel van zijn vak, zegt hij, is dat hij het altijd moet verdedigen bij het kunstpubliek. „Een sieraad is heel iets anders dan een schilderij.” Een sieraad, zegt hij, is omgeven met connotaties. „Pronkzucht, hebzucht, ijdelheid, status en herinnering. Elk meisje weet nog de eerste ring die ze kreeg van een geliefde, iedereen voelt iets bij de ring die zijn of haar moeder droeg, de trouwring na de scheiding.”

Hij herinnert zich de rode ring van zijn oom, de hulpbisschop die bij hem thuis in Swalmen kwam en wiens ring hij dan moest kussen. Zelf draagt hij niks. Alleen een horloge, en een zilverkleurige ketting die half verscholen zit onder zijn hemd. Ik vraag wat er aan hangt. „Niks bijzonders. Een SOS-plaatje waarop staat wat je moet doen als je me bewusteloos vindt.” Hij klopt op zijn jaszak. Daar zitten de injectiespuiten met hormonen die je hem dan moet geven.

Jaren geleden vroeg zijn moeder hem of hij iets kon maken van de trouwring van zijn vader – hij is nu dertig jaar dood. „Stond ik met een zaag bij die ring. Ik dacht: ‘die ga ik toch niet zomaar doormidden zagen’. Het lukte me niet. Ik heb een foto gemaakt van haar ring en de zijne. Die van haar glimmend en rond, ze droeg altijd afwashandschoentjes. Die van mijn vader vol butsen en dof, hij had een steenfabriek. Toen mijn moeder die foto zag, begreep ze de schoonheid ervan. Sindsdien is ze mijn werk gaan volgen.”

Sieradenmakers zijn ergens halverwege de vorige eeuw gestopt kunstenaar te zijn, zegt Ted Noten. „Uren vijlen, hameren en solderen. Zo is hij in zijn eigen vakmanschap gesneuveld. In zijn eentje op een atelier, zonder dialoog. Toen heeft het handwerk het gewonnen van het intellect, zo werd sieraden maken een ambacht.”

Hij snapt de ambachtsman, zelf vindt hij het ook heerlijk om acht uur op een dag te prutsen op één dingetje. „Het creatieve centrum in je hersenen wordt geprikkeld, je maakt dopamine aan als je steeds dezelfde handeling verricht.” Dat las hij in het boek Wij zijn ons brein van Dick Swaab. „Maar als je hem moet geloven, ligt alles al in de baarmoeder van je moeder vast.” Hij lacht. „Ik zie mijn moeder nog zitten met haar eeuwige Caballero zonder filter.” Nu hij erover nadenkt. De broer die na hem kwam is kettingroker, de jongste is verslaafd aan werken. „Ik was een kettingroker en een workaholic. En nu ben ik...” Hij hapert. „Ja, wat ben ik nu?” O ja, hij weet het weer. „Een 55-jarige in een identiteitscrisis.”

Er was nog een broer, Fred. Onder die naam maakt Ted Noten een iets goedkopere sieradenlijn. Fred is zijn alter ego, en verwijst naar zijn tweelingbroer die bij de geboorte overleed. „Alleen heette hij geen Fred maar Ed. Maar die naam kan ik niet gebruiken. De broer die na ons kwam, kreeg de naam van het dode broertje. Zo ging dat vroeger.”

Ketchup

De hamburger arriveert. Met een puntzakje Vlaamse friet, en potjes mayonaise, mosterd en ketchup. Hij kan zijn geluk niet op. Eigenlijk strookt lunchen in een duur hotel niet met zijn socialistische opvattingen. „Maar er zijn altijd sluipweggetjes. Zo krijg je hier toch iets wat betaalbaar is.”

Hij was laatst uitgenodigd voor een diner met dertig winnaars op Paleis Het Loo. „De zakenvrouw van het jaar, de winnaar van de AKO Literatuurprijs, de beste broodjesbakker. Iedereen, van hoog tot laag.” En wat hem nou zo verontrust; hij, als anti-monarchist, vond het etentje gezellig en de gastvrouw, Máxima, sympathiek. „Ik heb altijd gewerkt vanuit de contramine. Lekker afzetten en schoppen. Nu ben ik ineens gelegaliseerd.” Hij schaterlacht. „Witgewassen door het Koninklijk Huis.”

Waar hij wel weer zin in heeft, is lesgeven. Na de zomer begeleidt hij een groep studenten van de Design Academy in Eindhoven. „Die lui zijn dertig jaar jonger, die hebben honger.” Wat hij ze gaat leren? „Ik ga ze leren naar hun intuïtie te luisteren.” Hij was eerst metselaar, toen wereldreiziger en straatverkoper van zelfgemaakte sieraden voor hij naar de kunstacademie in Maastricht ging. Daar leerde hij de techniek van zijn vak. Het kunstenaarsschap leerde hij daarna aan de Amsterdamse Rietveld Academie. „Daar leerde je autistisch bij jezelf naar binnen te kijken. Een kunstenaar moet de buitenwereld vermijden en alleen zijn binnenste vertalen in zijn kunst.” Hij noemt dat het Vincent van Gogh-syndroom. „Maar iets daarvan wil ik de studenten meegeven. Niks esoterisch, maar wel: luister naar jezelf.”

Hij vindt allang dat hij ook naar de wereld om zich heen moet kijken. „Veel kunstenaars zijn conservatief en behoudend. Dag en nacht iets zitten te maken waar niemand om vraagt. Zonder dialoog, zonder respons. Ik heb drie freelancers op mijn atelier brengen. Dát bruist.”

De meeste kunstenaars zijn bang hun authenticiteit te verliezen als een ander zich met hun werk bemoeit. Want als je daaraan begint, is straks ineens iedereen kunstenaar. Dan zeg ik: iedereen die waterverf van Caran d’Ache in huis heeft, kan een schilderij maken. Dat bedreigt het kunstenaarsschap toch niet?”

Zo, zegt hij. „Eigenlijk wel een mooi einde dit.”

En een minuut later: „Of zullen we nog een wijntje nemen? Dat is leuk voor het verhaal.”

We drinken een witte wijn.

Dan komt de rekening. Hij zegt: „62 euro.” Nu jij, dringt hij aan. „Meer of minder?”

Ik denk meer.

Het bedrag zit dichterbij wat hij schatte.

Hij wrijft vergenoegd in zijn handen. „Ik heb gewonnen.”