Ik droom van een tsunami die Cuba wegspoelt

Miriam en Rosa delen een woning op het dak van een flat in Havana. Het leven is miserabel: meel eten en wachten op de dood van Fidel Castro. „Als tiener hoopte ik al op verandering. Nu ben ik bijna vijftig.”

Vis is in Cuba nauwelijks te krijgen, behalve van jongens die zelf een lijn uitgooien. ‘Wat we eten is meel. Daarom zijn Cubaanse vrouwen zo dik.’ Foto Bloomberg

Welkom in het huis van glas. Zo noemen Miriam en Rosa hun appartement, een aanbouw op het dak van een flat in Havana. Niet omdat het huis van de twee vriendinnen zoveel ruiten heeft of omdat ze kristal verzamelen. Het is omdat alles op ieder moment kan breken.

Ze zitten op door en door verrotte houten stoelen op het dak, met uitzicht op de Malecón, de boulevard van Havana. Rosa is zes jaar geleden bij Miriam komen wonen, nadat haar huis in het centrum was ingestort. Sindsdien delen ze lief, leed en hun weinige geld.

Rosa (44) is lang en fors. Met haar vingers draait ze vlechtjes in haar kroeshaar terwijl ze lachend vertelt over het wonderlijke leven in Cuba. Ze steunt het socialisme, maar het systeem staat op zijn kop. „Ik heb een gelukkige jeugd gehad, maar de kinderen van nu worden geboren met zorgen.”

Miriam (49) voelt geen enkele liefde voor het Castro-regime dat sinds de revolutie van 1959 aan de macht is. „De nieuwslezers zeggen altijd ‘onze president Raúl’. Maar mij is nooit iets gevraagd.” Ze haalt uit als een kat en zo oogt ze ook: klein en tenger, met kort kastanjebruin haar en bruine ogen.

„Ik ben een dromer. Miriam trekt me terug in de realiteit”, zegt Rosa. Over weinig zijn ze het eens, behalve dat ze blij zijn dat ze vriendinnen zijn.

Miriam geeft alleen haar voornaam, Rosa is een bijnaam. Ze werkt voor de universiteit en wil geen problemen. Miriam is nonchalanter. „Ik ben huisvrouw. Ik krijg niets van de staat, dus ze kunnen me ook niets afnemen.”

In de schemering drinken ze kleine kopjes sterke koffie en praten over de dingen waar Cubanen altijd over praten. Over het tekort aan huizen. Over het dure eten. De lage salarissen. Rosa verdient 450 Cubaanse pesos per maand, omgerekend minder dan 17 dollar.

Het is onmogelijk om rond te komen. Behalve groente en fruit importeert Cuba bijna alles. De enige manier om importproducten te kopen is met pesos convertibles, de tweede munteenheid van het land. Deze dollars, zoals Cubanen ze ook noemen, zijn nodig voor alles wat geen pure noodzaak is. Olijfolie, shampoo, schoenen. De prijzen zijn net zo hoog als in Amerika en Europa, zuchten Miriam en Rosa.

Miriam: „Zonder koffie kan ik niet. Met mijn Libreta (rantsoenboekje, red.) krijg ik een zakje waarmee ik nog geen week toe kan.”

Rosa: „Koop een pak koffie in de supermarkt en het kost 5 dollar.”

Miriam: „Melk, 5 dollar. Bakolie, 5 dollar. Alles in dit land kost 5 dollar. Of meer.”

Rosa: „Wat we eten is meel. Daarom zijn de Cubaanse vrouwen zo dik, altijd maar meel. In dit land kun je geen dieet volgen.”

Miriam: „We zijn omringd door zee, maar vis is nergens te vinden.”

Rosa: „Of je moet vis kopen van de jongens die een lijn uitgooien aan de Malecón. Maar de riolen van Havana lopen daar in zee.”

Het wordt donker. Ze gaan naar binnen om te koken. Miriam snijdt een banaan in stukken, Rosa vult de stukken met een beetje worst. Ze draaien de partjes om in een dun laagje olie en praten over de vraag die buitenlanders altijd stellen: of het systeem gaat veranderen. Raúl Castro voert toch hervormingen door?

Miriam: „Niet in mijn leven. Na Fidel kwam Raúl en na Raúl komt er een zoon, een dochter, neven, nichten. Er zijn nog veel Castro’s te gaan.”

Rosa: „Ik ben in dit systeem geboren, maar mijn ouders herinneren zich de problemen van vóór de revolutie. Ze zijn loyaal aan Fidel.”

Miriam: „Het zit niet in onze cultuur om in opstand te komen. Cubanen zijn volgzaam. Zelfs als onze huid wordt afgestroopt blijven we volgen.”

Rosa: „Er is een verschil of een persoon je geweld aandoet of de staat. Tegen een persoon zouden we ons verzetten.”

Miriam: „Denk je? Als tiener hoopte ik al op verandering. Nu ben ik bijna vijftig. De helft van de sinaasappel is op.”

Aan de eettafel snijdt Rosa een restje kaas in kleine blokjes, voor op de gebakken banaan met worst. Ze haalt herinneringen op aan de tijd dat Cuba nog onderdeel was van het socialistische blok, voor de val van de Sovjet-Unie in 1989.

Rosa: „Alles wat we wilden kregen we vrijwel gratis op tafel, uit Oost-Europa. Wilden we koffie? Dan kregen we koffie. Melk? Hetzelfde. Dat was een goede tijd.”

Miriam: „Hoe kan je dat nou zeggen? In de jaren zeventig en tachtig kregen mensen hun salaris, maar er was vrijwel niets te koop. Geen broek, niets. Weet je dat niet meer?”

Rosa: „De generatie die nu opgroeit heeft het veel zwaarder. Wij konden studeren wat we wilden. Maar het aantal plaatsen op de universiteit is nu beperkt. Veel jongeren worden cuentapropista, zelfstandig ondernemer. Het is de enige manier om aan dollars te komen.”

Miriam: „Ze willen hun ouders helpen. En modieuze kleding kopen. Voor jongeren is kleding belangrijker dan eten, dat is altijd zo geweest.”

Rosa: „Ons probleem in Cuba is dat we niet gewend zijn om te werken. Wie wil de vloer schrobben? Wie wil op het land werken? Niemand. Maar nu moeten we wel.”

Rosa kijkt iedere ochtend en iedere avond het nieuws op de Cubaanse staatstelevisie – „gewoon, een gewoonte”. Miriam niet – „allemaal propaganda”. Maar als de uitzending opeens stilvalt, rent ze de kamer in. Wie weet komt er de aankondiging waar ze al jaren op wacht: dat Fidel Castro dood is.

Rosa: „Ha, weer een stroomuitval!”

Miriam: „Op het nieuws gaat het er altijd over dat Cuba het beste is met dit, het minste last heeft van dat, dat we het langste leven. Maar wat heb ik eraan dat andere landen slechter af zijn? Ik leef hier, nergens anders.”

Rosa: „Daar is televisie niet voor. Televisie is voor de ontwikkeling van het volk, niet om paniek zaaien.”

Miriam: „Die paniek voel je hoe dan ook wel. Waar is volgens jou dan wel ruimte voor de waarheid? In de krant, op de radio? Waar?”

Rosa: „Er is heus wel openheid. Weet je nog dat die reportage over Cubanen met aids?”

Miriam: „Het zijn er veel meer dan ze zeggen. Aids, drugs, geweld, het is hier allemaal. Maar het mag er niet zijn.”

Rosa: „De problemen van dit land zijn te groot, er is geen oplossing. Soms fantaseer ik dat er een tsunami over de Malecón breekt en alles wegspoelt. Wie dan nog leeft, begint opnieuw.”

Rosa is een keer naar Brazilië geweest. Een luxe in een land waar de overheid bepaalt wie een visum krijgt. Een vriendin is aan het sparen om Rosa nog een keer te laten komen. Ze vond het er mooi. Met haar uiterlijk had ze zo een Braziliaanse kunnen zijn. Maar ze miste Cuba.

Rosa: „Na drie dagen werd ik gek van heimwee. Een vriend leende me zijn telefoon. Ik ging iedereen bellen die ik maar kon bedenken. Mijn ouders, vrienden, mijn werk.”

Miriam: „Niemand nam op.”

Rosa: „Uiteindelijk heb ik het nummer gedraaid van een collega met wie ik altijd ruzie heb. Gewoon om een bekende stem te horen.”

Miriam: „Je had nog een souvenir voor haar meegenomen ook. Dat is wel het laatste wat in mij zou opkomen.”

Rosa: „Ik wil wel weg uit Cuba, maar alleen als ik terug kan komen.”

Miriam: „Al was het de Noordpool, ik zou gaan. Als ze me lieten.”

Sommige dagen wordt het Miriam te veel. Als de koelkast leeg is, op een paar ijsblokjes na. Ze wordt kwaad, ze huilt, ze schreeuwt door het appartement. Dat ze blij zal zijn als Castro dood is.

Rosa: „Miriam is heel gesloten, ze zal nooit klagen tegen de buitenwereld. Ik wel. Als ik geen geld heb mag iedereen het weten. Zullen we uitgaan? Hou op, ik heb geen peso!”

Miriam: „Ik loop stil over straat. Ik bemoei me niet met anderen en ik wil ook niet dat anderen zich met mij bemoeien. Wat heb ik eraan om te gaan smoezen met de roddelaars?”

Rosa: „Mijn moeder zweert dat ze zal sterven op de dag dat Fidel overlijdt.”

Miriam: „Mijn moeder ook. Ze zegt altijd dat Fidel als een broer is. Wat maakt dat hem dan voor mij? Een oom?”

Rosa: „Ik zal in de rij staan om de condoleance te tekenen. Gewoon, uit respect.”

Miriam: „Ik ben wel gek. Op de dag dat Fidel sterft, ga ik naar de kroeg voor een goede whisky.”

Rosa: „O, ja? Van welk geld ga je dat betalen?”

    • Ykje Vriesinga