Hij laat zich niet meer opjagen

Negen maanden geleden vreesde Robert Gesink voor het einde van zijn wielercarrière. Zaterdag staat hij in Luik aan de start voor de proloog van de Tour de France. Gelouterd na de dood van zijn vader, de harde kritiek van vorig jaar en een gecompliceerde beenbreuk. „Drama jongen, drama.”

Straalt hij weer plezier uit in wat hij doet? Robert Gesink lacht. Buiten schijnt de zon. Lekker dagje gefietst in de Zuid-Spaanse bergketen Sierra Nevada, ter voorbereiding op de Tour de France. In het restaurant van het Centro de Alto Rendemiento, het fraaie trainingscentrum dat op 2.320 meter hoogte zijn uitvalsbasis is, kijkt de kopman van de Raboploeg terug op het anderhalve jaar dat zijn leven op z’n kop zette. „Ik zei het gisteren toevallig nog: ik heb het mooiste beroep ter wereld.”

Eigenlijk is het al een klein wonder dat Gesink (26) zaterdag in Luik aan de start komt voor de proloog van de 99ste Ronde van Frankrijk. En dan nog als kanshebber op een goede eindklassering ook. September vorig jaar liep de 1,87 meter lange en 70 kilo lichte klimmer een gecompliceerde breuk op van het rechterbovenbeen na een val tijdens de training. Het ongeluk volgde op een tegenvallende Tour, waarin hij na een val in de eerste week de hoge verwachtingen niet kon waarmaken. De jonge kopman werd overladen met kritiek. Zelfs de leiding van zijn eigen ploeg twijfelde openlijk aan zijn mentale weerbaarheid.

Het drama in de Tour kwam bovendien nog eens na een periode waarin hij moest zien te leven met de plotselinge dood van zijn vader. Die stierf in oktober 2010 na een val met de mountainbike. „Nee, het is geen gewone anderhalf jaar geweest”, zegt een Achterhoeker dan. Nuchter in het kwadraat.

De emotie kwam er mei dit jaar uit in de Ronde van Californië, op de top van de 1.967 meter hoge Mount Baldy. Hij werd toen in de gele leiderstrui gehuldigd na een indrukwekkende zege bergop in de koninginnerit. Dochtertje Anne in Raboshirtje op de arm, vriendin Daisy in de buurt. Ontroering op zijn gezicht. Eindelijk weer succes, na zo lang afzien. „Dat was voor mij het begin van een nieuwe periode, na die beenbreuk. Ook voor Daisy en de kleine was het een ideaal slot van een fijne tijd in Californië.” En nergens is zijn vader ooit ver weg – zie zijn vingers priemen naar de hemel bij het passeren van de eindstreep. „Bij een hele grote overwinning, en zo zie ik Californië ook, zal ik altijd dat gebaar blijven maken.” Straks in de Tour? „Dat zou heel mooi zijn.”

Gesink zegt het relaxed, steeds een serene glimlach om de lippen. De tijd is voorbij dat hij zich liet opjagen door verwachtingen van anderen. Anderhalf jaar tegenslag leidt tot een nieuw perspectief. „Ik ben al heel jong en met een grote klap volwassen geworden. De kritiek in de afgelopen Tour valt daarbij in het niet. Al was het een moment waarbij je van hele grote hoogte ontzettend naar beneden klettert. Figuurlijk dan. Daar verander je als mens wel een beetje van.”

In welk opzicht? „Veel mensen om me heen zeggen dat ik rustiger word. Misschien door de kleine meid, misschien ook door de dingen meer op waarde te schatten. Ik fiets voor mijn overleden vader, maar ook voor het eigen gezin dat ik nu heb. Je weet dat die mensen altijd achter je staan. Wat een ander ervan vindt, is dan niet belangrijk meer.”

Hoe anders was dat vorig jaar in de Tour en vlak erna. Kriegel werd Gesink van alle kritiek toen hij na een harde val in de vijfde rit niet met de besten mee kon in de bergen. Zonder een woord te zeggen, droop hij met stuurs gezicht af op Luz Ardiden. In praatprogramma’s werd de nummer vijf uit de Tour van 2010 vervolgens afgeschilderd als een slappeling, een loser. „Ik heb niet alles gehoord en gelezen”, reageert hij in eerste instantie afwerend. „Bovendien: je kunt er toch niets meer aan veranderen.”

Zelfs directeur Harold Knebel van de Raboploeg stelde al vragen over zijn mentale weerbaarheid, toen de jonge kopman nog aan het afzien was in de slottijdrit. „We maakten in die Tour iets mee dat we geen van allen in de hand hadden”, zegt Gesink nu. „Ik heb daar zelf misschien niet altijd goed op gereageerd. En de ploegleiding heeft naar mijn idee op sommige momenten niet de juiste beslissingen genomen. Daarmee is het voor mij afgedaan.”

Al liep zijn sympathieke imago, opgebouwd met jaren hard werken, voor het eerst een kras op. „Ach, wat is imago? In mijn eerste profjaar had ik het imago van toekomstig Tourwinnaar. Tot ik in Parijs-Nice de leiding verloor omdat ze links en rechts van me op de kloten sloegen in de afdaling. ‘Die Gesink kan niet dalen’, riepen ze ineens. Dan val ik zelf een paar keer op een rotmoment, en roepen ze dat ik altijd op mijn kloten ga. Na de Tour van vorig jaar ben ik mentaal niet weerbaar genoeg. En als ik win in Californië, ben ik juist zo veerkrachtig omdat ik na al die ellende toch terugkom. De wijze les is: ik ga me er echt niet meer druk om maken.”

Had hij niet op iets meer begrip gerekend, acht maanden na de dood van zijn vader? „Dat is wel moeilijk, om te zien dat er heel weinig mensen zijn die verder willen kijken dan hun neus lang is. Ook daar leer je veel van.”

In een paar zinnen, uiterlijk onbewogen, schetst hij nog eens zijn nachtmerrie. Twee prachtige zeges in het najaar van 2010, in Montreal en in de Italiaanse eendagskoers Giro dell’Emilia. „Ik was gewoon absolute wereldtop. Maar de dag na Emilia komt mijn vader ten val, twee weken later overlijdt hij. Ik heb een winter lang als een malle doorgetrokken, had een heel goed voorseizoen. Maar rond de Tirreno had ik ineens geen zin meer om te fietsen. Je gaat nadenken. Wat heeft het überhaupt voor zin dat ik me met honderd per uur een afdaling instort? Zeker als je zoiets hebt meegemaakt.”

Toch weer opbouwen naar de Tour. Beter dan ooit op de Stelvio, een reus in de Alpen, tijdens een laatste hoogtestage. Voor kenners: 430 watt gemiddeld trapte hij aan vermogen, meer dan genoeg om in de Tour bergop niemand te hoeven vrezen. „En dan sla je in de Tour na een paar dagen op je kloten. Drama jongen, drama.”

Nog een les dan maar. Als Gesink dit jaar onverhoopt weer zo hard mocht vallen in de Tour, zal hij onherroepelijk afstappen. „Vorig jaar was het misschien wel goed om door te harken, op dat punt in mijn carrière. Maar dat ga ik niet nog een keer doen. De Tour blijft de belangrijkste koers van het seizoen. Als alles goed gaat, zie je mij met de besten meestrijden. En anders niet. Dat is een wankel evenwicht.”

Na de val van vorig jaar raapte hij zichzelf snel bij elkaar. Zoals hij na een val in de Tour van 2009 schitterde in de Vuelta en zich na een nieuwe val weer oprichtte met zijn eerste zege in de Giro dell’Emilia. Nu hielpen een trainingskamp plus wedstrijd in Colorado hem er bovenop. „Ik vond daar het plezier in fietsen terug. In Quebec was ik daarna één van de weinigen die het Philippe Gilbert vorig jaar een keer lastig heeft kunnen maken.”

In topvorm naar de Ronde van Lombardije? Beenbreuk na een val op de training. En gecompliceerd, met pinnen erin en al. Toen brak zelfs Gesink. „In de eerste voorspellingen houd je het redelijk positief: een half jaar om weer op niveau te komen. Maar de kans was aanwezig dat het hele wielrennen gewoon helemaal nooit meer wat zou worden. Verhalen genoeg van mensen die met zo’n breuk zomaar een jaar achterop raken. Dan is het over.”

Serieus gevreesd voor het einde? „Die kans was er altijd. Maar daar wil je niet aan denken. Dus schuif je het weg.”

Wie hem nu weer ziet fietsen, gelooft niet hoe het toen was. „Ik lag in bed, net geopereerd, alles zat met pinnen aan elkaar. Het deed nog pijn om mijn rechterbeen een millimeter van links naar rechts te bewegen. Daisy moest mijn voet optillen, ik schoof heel langzaam mee en kon dan pas mijn bed uit om op krukken langzaam naar de wc te lopen.”

Zes weken vol twijfels over zijn toekomst, tot de eerste controlefoto’s positief bleken. „Het was één groot blok, zeiden ze. Ik kon het gewoon weer 100 procent belasten.”

Keihard revalideren, op het oog veel lange en nutteloze arbeid. Terugkeren in koers. Maar zijn niveau? Zie hem vechten op de Redoute in de klassieker Luik-Bastenaken-Luik, middenin een groep verslagenen. Nog net niet, kwestie van die ene laatste procent. Angst om weer te vallen? „Daar mag je niet aan denken. De rechterbochten waren wel een stuk minder dan de bochten naar links, omdat je veel onbalans hebt. Je hebt een been en een beentje. Maar dat gevoel ebt weg. Dan rijd je weer als een raket naar beneden. Alles slijt.”

Alleen de onzekerheid niet. Komt het wel of komt het niet, die laatste procent naar het oude topniveau? „Als sporter ben je altijd onzeker. Maar nu is alles nog veel onzekerder. Andere jaren kon je vergelijken met het gevoel van de jaren ervoor. De benen voelden zo en zo aan, het draaide lekker, het liep zo. Dat gevoel probeer ik altijd terug te krijgen. Maar hetzelfde zal het toch niet gauw meer zijn.”

Aan zijn ijver zal het niet liggen. „Mijn talent is altijd geweest om er zoveel mogelijk voor te werken. Trainers zijn altijd bezig mij af te remmen, te zorgen dat ik niet te veel doe. Op die manier probeer ik zoveel mogelijk onzekerheden weg te werken voordat ik de wedstrijd in ga. Zolang je plezier hebt in fietsen, kan je dat opbrengen. Zolang je een klein rondje extra doet, vijf uur op de teller te hebben in plaats van 4 uur 55, zit het goed. Als je zegt dat het laatste half uurtje toch niet bepalend zal zijn, moet je oppassen. Dan moet je andere inspiratiebronnen zoeken.”

Direct na het voorjaar met de wielerklassiekers, zonder topklasseringen, trekt Gesink naar Californië. „Een week vakantie met Daisy en kleine Anne. Om de dag gefietst, naar het basketbal in Sacramento, de Kings tegen de LA Lakers. Naar een concert van Coldplay. Superrelaxte sfeer. Daarna op hoogte lange duurtrainingen gedaan.” En toen, in de Ronde van Californië, was daar ineens die laatste procent. „Die rust heeft me goed gedaan. Echt lekker om weer een dikke overwinning te pakken.”

Met een glimlach door naar Sierra Nevada voor een hoogtestage. Daarna vierde in de Ronde van Zwitserland, zesde op het NK. Eind juli toch maar meedoen aan de olympische wegwedstrijd. Maar eerst vol vertrouwen naar de Tour. „Ik weet als geen ander hoe fragiel succes in de Tour is. Het jaar dat ik vijfde werd, was bij wijze van spreken Nederland te klein. Een jaar later heb je er net zoveel voor gedaan, val je en heb je waarschijnlijk nog meer afgezien. En toen voelde ik me een soort van… zeg maar een grote mislukking. Alleen thuis en in de Achterhoek bleven de mensen achter me staan.”

En eentje is er sowieso altijd bij. „Ik weet zeker dat mijn vader trots is op wat ik al heb gepresteerd. Hij was mijn grootste fan en trouwste volger. Misschien is het maar goed ook dat hij niet die hele ellende rond de beenbreuk heeft hoeven meemaken. Al geloof ik wel dat hij altijd op ons let, en kijkt naar wat we allemaal aan het doen zijn. Ik denk altijd aan hem, dat gebeurt elke dag. En des te meer als het weer goed gaat.”