Het draait enkel om ‘La Roja’

Als de Spanjaarden zondagavond in Kiev tegen Italië een tweede Europese titel winnen, hebben zij onbetwist de meest succesvolle generatie voetballers aller tijden. Hun geheim? Het hechte team kent geen egomanie.

De Spanjaarden afgelopen woensdag na de gewonnen strafschoppenserie tegen Portugal. Foto AP

In maart 2008 zat ik met toenmalig Barcelona-trainer Frank Rijkaard in zijn ondergrondse kantoortje in stadion Camp Nou. Rijkaard had het over ideale profs. Ik vroeg wie van alle spelers die hij in bijna dertig jaar profvoetbal had meegemaakt, het perfecte karakter bezat voor topsport. „Xavi, Puyol”, zei hij uiteindelijk, „dat zijn fantastische jongens om mee te werken.” En toen wist hij het plotseling. Triomfantelijk riep hij uit: „Andrés – Andrés Iniesta! Dat is gewoon een geweldig sportman. Op de training altijd inzet, een geweldige voetballer.”

Ik dacht destijds dat Rijkaard aardig deed over een loyaal selectielid. Zelfs binnen Barcelona had Iniesta toen nog geen onomstreden status. Maar in de 38 maanden na ons gesprek won het trio ideale profs van Rijkaard een EK, een WK, drie Spaanse titels en twee Champions Leagues.

Als Xavi en Iniesta zondagavond in Kiev tegen Italië een tweede Europese titel pakken, dan is dit Spanje de meest succesvolle generatie voetballers aller tijden. De enige rivaal, het Brazilië dat in 1958 en 1962 het WK won, pakte in 1959 geen continentale prijs, ook al werd dat jaar zelfs tweemaal om het Zuid-Amerikaans kampioenschap gestreden, in Argentinië en in Ecuador. Over vijftig jaar praten mensen nog steeds over dit Spanje. Maar hoe precies? Hoe zullen we ons het Spaanse tijdperk herinneren?

Rijkaard wees al op de eerste Spaanse karakteristiek: discipline, je werk doen, een houding van ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’. Voor deze Spanjaarden draait het alleen om voetbal. Bij Xavi thuis hangt boven zijn bed het citaat van de legendarische Liverpool-manager Bill Shankly: „Sommige mensen zeggen dat voetbal een zaak is van leven en dood. Zij hebben het mis. Het is nog veel belangrijker.”

De liefdesrelatie van Gerard Piqué met zangeres Shakira is een uitzondering. Veel typerender is de geste van Iniesta op het summum van het Spaanse tijdperk: na zijn winnende goal in de WK-finale tegen Oranje trok hij zijn shirt uit, en onthulde geen zelfverheerlijkende Mario Balotelli-achtige kreet, maar een wit T-shirtje met daarop de woorden ‘Dani Jarque – altijd met ons’. Voor de toekijkende wereld, die geen idee had wie Jarque was, voelde dit als anticlimax. Jarque bleek Iniesta’s jeugdvriend te zijn geweest, een simpele prof die op zijn 26ste aan een hartaanval overleed. De beslissende WK-goal was zijn moment, niet dat van Iniesta.

Bescheidenheid is de huisstijl van dit elftal. Vandaar dat de Spanjaarden op dit EK en het vorige WK zonder gezeur in het goedkoopste hotel zaten van alle deelnemende landen. Hun grondhouding werd ooit perfect uitgedrukt door één van de geestelijke vaders van dit team, Josep Guardiola. Jarenlang was Guardiola de quarterback van Barcelona, de man die de passes verstuurde. Toen kreeg hij in het eerste van Barça gezelschap van Xavi (die indertijd nog met de metro naar het stadion reisde). En op een dag verscheen een klein jongetje met een spierwit gezicht op de training van Barcelona. Guardiola bestudeerde de tiener Iniesta een tijdje, en zei toen tegen Xavi: „Zie je dat? Jij duwt mij naar de uitgang, maar die jongen stuurt ons allebei met pensioen.” Xavi vertelt tegenwoordig steevast dat Iniesta veel beter is dan hij. En Cesc Fàbregas zegt: „Xavi is enkele klassen beter dan ik.”

Die bescheidenheid is geen toeval. Het werd er in de Masía, de jeugdacademie van Barcelona, dagelijks vriendelijk ingewreven. Albert Capellas, jarenlang jeugdcoördinator van Barça, nu assistent-trainer van Vitesse, vertelde me toen ik in 2009 de knusse Masía bezocht: „Messi en Iniesta wonen hier niet meer, maar ze zijn hier thuis. Ze komen langs om te eten, als ze een probleem hebben praten ze met ons, zoals met hun moeder of vader. Voor ons zijn ze geen sterren. Andrés is nederig. Wij zeggen: ‘Je bent een goede man, een ongelooflijk mens, verlies je waarden niet’.”

Het Spaanse voetbal heeft zoveel van Nederland geleerd; het zou prachtig zijn als Oranje deze eigenschap van Spanje zou kunnen overnemen. Na het WK 2010 werd de verliezende finalist door groeiende ego’s verscheurd. Spanje, met aanzienlijk meer recht op egomanie, niet.

Hun professionele toewijding redde de Spanjaarden nadat José Mourinho in 2010 trainer van Real Madrid was geworden. Voor Mourinho was Barça de vijand. De clásicos tussen de twee ploegen werden ongekend vinnig. Op de dag nadat Mourinho een vinger in het oog van de toenmalige Barcelona-assistent-trainer Tito Vilanova had gestoken, belde Madrid-keeper Iker Casillas naar Xavi. De twee hebben al sinds hun jaren in Spaanse jeugdselecties een vriendschappelijke band. Telefonisch spraken zij die dag af: wat er ook tussen Barça en Real zou gebeuren, het zou het Spaanse elftal niet aantasten. Toen Mourinho van het telefoontje hoorde, was hij ziedend. Hij zette Casillas, zijn aanvoerder, een wedstrijd op de bank.

De ongewijzigde hechtheid van Spanje zien we nu in Oekraïne. In de halve finale tegen Portugal schopten Spaanse Madrid-spelers hun clubgenoot Cristiano Ronaldo kapot; het ging alleen om La Roja (de Roden).

De Spanjaarden zijn overigens veel vaker slachtoffer dan dader van geweld. Op dit EK is Iniesta vermoedelijk de meest geschopte speler – een soort informele benoeming tot meest gevreesde voetballer onder de voetballers. Na elke overtreding staat hij gewoon op en gaat verder. Die houding viel Guus Hiddink al op na Nederlandse aanslagen in de WK-finale van 2010. Hiddink zei: „Dat heeft persoonlijkheid, dat heeft stijl. Maar deep down denken ze wel: ‘Die gaan we even wegtikken’.”

Wegtikken is de andere karakteristiek van het Spaanse tijdperk. Het berust op een inzicht dat oorspronkelijk van Johan Cruijff kwam: het belangrijkste in het voetbal is de pass. Terwijl jeugdcoördinator Capellas mij in de Masía in Barcelona over positiespelletjes en driehoekjes vertelde, dacht ik steeds: „Dit komt allemaal van Cruijff!” De Masía is de echte Johan Cruyff University. Daar leerden de wereldkampioenen precies hoe en wanneer en in welke ruimte je op wie passt. Het Spaanse tijdperk zal wellicht Cruijffs belangrijkste voetbalnalatenschap blijken.

Als je kunt passen, is de rest niet zo belangrijk. Snelheid of lengte doen er niet toe, vertelde Capellas. Het was Robin van Persie al bij Arsenal opgevallen: de traagste man in het team was Fàbregas. Maar hij passte wel het snelst. Door alles op de pass te gooien, kon Spanje het kleinste grote elftal uit de voetbalgeschiedenis opstellen. In het Spaanse tijdperk is het lichaam van de voetballer veranderd. Een jaar of zeven geleden werd het centrale middenveld in het topvoetbal vooral door monsters bevolkt: Patrick Vieira, Michael Essien, Pavel Nedved. Toen Fàbregas bij Arsenal Vieira opvolgde, deed de vertrekkende Arsenal-linksback Ashley Cole hem af als ‘onbewezen vedergewicht’.

Wat bleek echter: in het overbevolkte middenveld vol lopers konden alleen briljante vedergewichten gaatjes vinden. De omslag naar het ‘lilliputtertijdperk’ was zes jaar geleden in Berlijn, toen de Argentijnse bondscoach José Pekerman niet de kleine Lionel Messi als invaller inbracht, maar de lange Julio Cruz. De Duitse centrale verdedigers vraten hem op en Argentinië werd uitgeschakeld. In het Spaanse tijdperk – waarin mannetjes als Messi, Wesley Sneijder en Andrea Pirlo dominant zijn – zou geen coach die fout meer maken.

Dit Spanje is al een jaar of zes waarschijnlijk het beste landenteam aller tijden. In het decennium tot 2010 won het meer dan 70 procent van zijn wedstrijden, een score die zelfs Brazilië nooit evenaarde. De Spaanse status zie je echter vooral aan de reacties van tegenstanders. Alex Ferguson is een slechte verliezer, altijd klaar met een klacht over de scheidsrechter. Maar nadat de Barça-mannetjes in de Champions League-finale van 2011 zijn Manchester United wegtikten, haalde Ferguson met een brede glimlach zijn verliezersmedaille op. Zo’n goede tegenstander had hij nog nooit meegemaakt, zei hij. Dat hoort ook tot het geheim van Spanje: wie respect geeft, krijgt respect.

Simon Kuper is journalist van de Financial Times en medewerker van onder andere NRC Handelsblad en Hard Gras. Hij schreef verscheidene boeken over voetbal, waaronder Dure spitsen scoren niet (2009, Nieuw Amsterdam).

    • Simon Kuper