Er klinkt een knal dwars door de stalen drukhuid

De Nederlandse onderzeebootdienst van de marine – ontzien in achtereenvolgende bezuinigingsrondes – exporteert kennis en helpt mee aan de bestrijding van piraterij voor de kust van Somalië. „Je hoort onder water prima of iemand in een baaitje zijn buitenboordmotor aanzet.”

Vriendelijke fluittoontjes klinken door de koptelefoon. Maar in werkelijkheid zijn ze dodelijk. Het getjilp is afkomstig van een helikopter die een paar kilometer verderop zijn dipping sonar in zee heeft neergelaten. „Dipper!” roept de sonarman door de krappe commandocentrale van de onderzeeboot Harer Majesteits Bruinvis, „bearing: red fifty”. Het gepiep neemt toe. Dan klinkt een metalige knal dwars door de stalen drukhuid van de onderzeeboot. Alle zestig bemanningsleden weten wat dat betekent: we zijn gezien en om dat duidelijk te maken is een handgranaat in het water gegooid. Een uur later komt via de radiohut een inlichtingenbericht binnen: ‘Onderzeeboot is ontdekt. Geen ontwijkende manoeuvres of verandering van snelheid waargenomen.’

En dat betekent een kras op de conduite van luitenant-ter-zee Daniel Patrick, de Amerikaanse commandant-in-opleiding. Bleker dan hij al was kan hij toch niet worden. En zijn ogen niet roder.

De afgelopen weken was de Bruinvis in de wateren rond de eilanden aan de Schotse westkust het examenlokaal voor de Submarine Command Course (SMCC), een opleiding voor commandanten van diesel-elektrisch aangedreven onderzeeboten. De Nederlandse Onderzeedienst heeft deze opleiding onder de hoede sinds de Britse Royal Navy in 1995 de laatste dieselboten afstootte en uitsluitend nucleair aangedreven onderzeeërs in de vaart heeft.

De Onderzeedienst leidde sindsdien kandidaten op uit alle windstreken: behalve tientallen onderzeebootofficieren uit Nederland en de Verenigde Staten deden commandanten in spe uit Australië, Zuid-Korea, Brazilië, India, Frankrijk, Scandinavië, Singapore en Zuid-Afrika de cursus. Wie faalt, krijgt dat te horen van een Nederlandse oud-commandant, in dit geval de overste Geordie Klein, die alle onderzeebootkunstjes kent én weet voor welke verrassingen de kandidaten kunnen komen te staan. De onderzeeboot stijgt vervolgens naar de oppervlakte waarna een helikopter de geëxamineerde van dek haalt; het is dan vaak de laatste keer dat hij op een onderzeeboot was. Bij de meeste westerse onderzeediensten is het up or out.

Ongeveer één op de drie SMCC-kandidaten vliegt eruit, reden waarom de opleiding ook wel The Perisher heet: De Wegvager.

Al de marines zijn geïnteresseerd in de specialiteit van de Nederlandse Onderzeedienst: het muisstil door mogelijk vijandelijke kustwateren sluipen. Af en toe gaat een periscoop omhoog om militaire installaties of piratennesten te bespieden, of wordt met een sprietantenne het etherverkeer afgeluisterd. Ook kunnen de onderzeeboten zeecommando’s afzetten – en na hun landmissie weer oppikken.

Een van de redenen voor de toestroom van Perisher-kandidaten is de toenemende vraag naar zulke missies in een wereld waarin ‘diffuse dreigingen’ zijn toegenomen. Onderzeeboten van andere NAVO-landen of bondgenoten hebben niet zo’n groot bereik als de Walrus-klasse en kernonderzeeboten zijn er juist te groot voor. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat de Onderzeedienst bij de laatste bezuinigingsrondes op Defensie ongemoeid is gelaten. In de jaren negentig, toen men de boten vooral zag als relict uit de Koude Oorlog, lag het onderdeel altijd op het hakblok. Minister Henk Kamp (VVD, Defensie) overwoog nog in 2005 de Onderzeedienst op te doeken en het varende materieel te verkopen aan de hoogste bieder.

Maar dat tij is gekeerd. Demissionair minister Hans Hillen (CDA, Defensie) vindt dat de Onderzeedienst „fantastisch werk” doet. „En als het aan mij ligt wordt de Walrus-klasse na 2025 gewoon vervangen.” Een levensverlengend moderniseringsprogramma moet de boten tot die tijd veilig operaties laten uitvoeren.

Piraten

De Onderzeedienst onderhoudt het contact met de boten op patrouille vanuit een pand op de marinebasis in Den Helder. Kolonel Marc Elsensohn, de Groepoudste van de Onderzeedienst, heeft daar zojuist nog contact gehad met de Dolfijn, die in de Indische Oceaan ligt. Die onderzeeboot maakt deel uit van het NAVO-smaldeel dat voor de anti-piraterij-operatie Ocean Shield voor de Hoorn van Afrika koerst.

Acht maanden is de Dolfijn onderweg; de boot vertrok eind vorig jaar uit Den Helder en komt vlak voor de zomer terug.

Een onderzeeboot maakt het vangen van piraten stukken eenvoudiger, zegt Elsensohn: „Die piraten konden eerst vanaf het strand in de gaten houden of ze in de gaten werden gehouden. Ze zagen dan gewoon een fregat op de horizon liggen. Dan voeren ze natuurlijk niet uit.” Maar de fregatten hoéven zich niet meer te vertonen wanneer een onzichtbare onderzeeboot hun doen en laten volgt. „Die gasten denken dat de kust vrij is en steken van wal. Dan krijgen ze ver op zee een fregat op hun nek, door ons daarheen geleid. Je hoort van onder water prima of iemand in een baaitje zijn buitenboordmotor aanzet.”

Op die piraten wordt nu niet meer alleen buitengaats gejaagd. Omdat bekend is waar de piraten hun voorraden en andere middelen vandaan halen, kunnen volgens minister Hillen „met kleinschalige effectieve operaties” kapingen worden voorkomen, mede dankzij de inzet van de onderzeeërs. „Door hun materiaal onklaar te maken of de brandstofvoorraad in brand te schieten.”

Witte plekken

In de tweede helft van dit jaar vertrekt de Bruinvis naar de Hoorn van Afrika, om daar het werk van de Dolfijn over te nemen. De Bruinvis is de eerste onderzeeboot die is uitgerust met een nieuw type sonar dat de zeebodem voor de boot met een ‘geluidsbundel’ kan aftasten: een Mine and Obstacle Avoidance Sonar. Dat is geen overbodige luxe. Volgens Elsensohn moet de Dolfijn tussen de Somalische kustriffen navigeren met behulp van een elektronisch peillood dat alleen de diepte onder de onderzeeboot kan meten, en „sommige zeekaarten dateren uit de negentiende eeuw”.

De nieuwe sonar van de Bruinvis bleek in Schotland niet alleen nuttig voor het invullen van witte plekken op de zeekaarten, ook muisstil liggende vijandelijke onderzeeboten lichtten op het beeldscherm hel op. „Bij een submarine tactical exercise zaten we een Britse onderzeeboot op zijn staart. We lieten ze alle hoeken van de oceaan zien”, zegt een bemanningslid. „Maar toen wij moesten sparren met één van hun subs die net was voorzien van een nieuwe sonar, waren wij aan de beurt.”

Ook de traditionele strijd tegen andere onderzeeboten behoort nog tot het takenpakket. Elsensohn: „Steeds meer landen, steeds capabeler onderzeeboten. Venezuela en Iran, om er een paar te noemen.” Het beste anti-onderzeebootwapen is een andere onderzeeboot: boeven vang je met boeven.

Behalve in de Caraïben, waar op drugssmokkelaars met snelle motorboten, plezierjachten en vissersschepen wordt gejaagd, zijn Nederlandse onderzeeboten actief in de Perzische Golf.

Ebstroom

Op de Bruinvis, op zo’n twintig meter diepte in de wateren bij het Schotse eiland Arran, wordt de Australische luitenant-ter-zee Michael Jacobson getest. Door de periscoop zijn witte vegen op de bergtoppen te zien: het heeft vannacht gesneeuwd. Het landschap van de Schotse eilanden kan nauwelijks méér verschillen van dat van Somalië, maar voor de onderzeeboot maakt dat weinig uit. Jacobson heeft in het geïmproviseerde zenuwcentrum tussen twee torpedorekken in de boegbuiskamer met behulp van zeekaarten een plan uitgewerkt om van een bouwwerk aan de kust foto’s te nemen.

Jacobson is duidelijk aan het eind van zijn Latijn. Hij moet de zeventig meter lange sigaar langs de grillige bodemcontouren leiden, tussen de rotsen door. Elk moment kan een marineschip opdoemen. Naarmate de tijd verstrijkt, neemt de kans op fouten toe.

Als Jacobsen denkt dat hij door de periscoop foto’s kan maken van het gezochte object, stijgt de onderzeeboot. Mis. Vanaf deze plek ligt het te fotograferen object tussen de naaldbomen verscholen. De Bruinvis moet honderd meter verder.

Dan een nare verrassing. Het nieuwe patrouillevaartuig Friesland, dat een testvaart uitvoert, simuleert de rol van vijandelijke oorlogsbodem. De sonar registreert dat het schip de dieselmotoren aanzet, het anker licht en koers naar buiten zet.

Jacobson aarzelt.

Take your fucking pictures!” dondert de docent door de commandocentrale tegen de Australiër, die zelf ook krachttermen niet schuwt. De periscoop gaat omhoog. Klik, klik. Het gebouw is digitaal vastgelegd en de Bruinvis duikt weg. De bijna 4.000 ton metende Friesland dendert over de onderzeeër heen. „Even rekenen”, zegt een sonarman. „Tussen ons en de kiel van de Friesland zit, ehh, vier meter. Dan moet er echt niks mis gaan.”

Besluiteloosheid, zegt docent Klein even later in het officiersverblijf, „is de belangrijkste reden dat de kandidaten zakken”. Een commandant moet agressief zijn, gecalculeerd risico nemen om het beste uit de boot te halen, zonder de bemanning in gevaar te brengen. „Als je moe wordt, heb je de neiging afwachtend te zijn. En dat is dus juist niet de bedoeling.”

Een paar weken na het examen kunnen de Amerikaan Patrick en de Australiër Jacobson opgelucht ademhalen: ze zijn geslaagd en krijgen hun eigen boot. De twee andere kandidaten vielen af: de Perisher heeft zijn bijnaam weer waargemaakt.