‘Een dichter gaat nooit met pensioen’

Wiel Kusters (65) nam op 1 juni afscheid als hoogleraar Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Maastricht. Maar dankzij een honoraire benoeming hoeft deze dichter-academicus op emeritaat nog niet te stoppen.

Foto Chris Keulen

Emeritaat

„Het gebeurt wel eens dat een hoogleraar op emeritaat ook gelijk met zijn vak stopt. Dat zou ik niet kunnen. Ik ben tevreden dat ik geen scherpe cesuur hoef te maken. Ik ben dichter. Dichters gaan nooit met pensioen, zeg ik wel eens.”

Journalist

„Op de lagere school was er al het verlangen om te publiceren. We hadden een leuke leraar, meester Montfoort. Hij liet ons vrijdag op het schoolbord een krant maken. Ik herinner mij dat als iets bijzonder aantrekkelijk. Het heeft ervoor gezorgd dat ik op de middelbare school een aantal jongens om mij heen verzamelde en naar de baas van de school ging om te zeggen: ‘we willen een schoolblad’. Ja, het heeft er vroeg in gezeten.”

Studeren

„Na mijn dienstplicht begon ik te twijfelen: wil ik nog steeds bij een krant werken? Mijn meisje zei me: ‘jij moet gaan studeren’. Maar ik had niet het juiste diploma, want als mijnwerkerszoon was ik naar een buurtschool gestuurd. We hebben er toen op verzonnen dat ik vóór mijn kandidaatsexamen Nederlandse letterkunde een gymnasiumdiploma zou halen. Dat was wel spannend natuurlijk.”

Stimulans

„Ik heb veel impulsen gehad, maar ook van die momenten dat ik het niet meer zag zitten. Zoals toen ik in mijn eentje aan Grieks en Latijn begonnen was. Toen dacht ik soms: jongen, wat als dit allemaal gaat mislukken? Maar soms had ik ook gewoon geluk. Wat niet wil zeggen dat ik niet assertief ben. Het wordt je niet allemaal aangeboden.”

Voorbeelden

„Toen ik 18 was, schreef ik mijn eerste gedichten. Die heb ik naar een tijdschrift in Leiden gestuurd. Mooie verzen van een achttienjarige. Ze waren verbaasd en dat geeft wel een kick. Maar ik vind natuurlijk dat ik later veel beter ben gaan schrijven. Dichters moeten van meet af aan origineel zijn, denken mensen. Wat heel vreemd is. Ik vind dat je beter goede voorbeelden kunt hebben in je eerste jaren.”

Baan

„Op een gegeven moment ben ik decaan geworden. Daar had ik nooit van gedroomd, maar ik dacht dat ik dat maar moest doen. Werken in een faculteit, verantwoordelijkheid nemen, met collega’s werken; het heeft mij er wel voor behoed dat ik een literator zou worden die zich in zijn eigen schrijven opsluit. Een baan hebben en dichten is niet verkeerd. Het gaat om het in de wereld staan.”

Samenwerken

„Er kan heel veel inspiratie komen uit de confrontatie met anderen, of uit de reactie van iemand op wat jij gemaakt hebt. Ik heb dan ook graag samengewerkt met andere dichters. Met Huub Beurskens heb ik een gedichtenbundel gemaakt en met de Roemeens-Duitse dichter Oskar Pastior heb ik vertalingen gemaakt. Nu denk ik opnieuw aan samenwerking. Ik vind dan ook plezier in het spel van mogelijkheden die poëzie biedt. ”

Gemis

„Als ik iets gemist heb in mijn leven, dan is het muziek maken. De samenhang tussen de liedkunst van Schumann en de gedichten van Heinrich Heine vind ik het hoogste. In mijn hermetische dichtfase was ik fossielachtig en rudimentair. Brokkelig als de kolen uit de mijnen. Mijn verzen zijn steeds meer levende organismen geworden. Ja, ze bewegen zich soms in de richten van een lied. Was er maar iemand die ze eens zou willen zingen, denk ik dan. Maar dat hoeft niet hoor, je moet altijd iets blijven koesteren.”