BRIEVEN

Koppensnellen

In zijn boek ‘Dark Trophies’ (Wetenschapsbijlage 16&17 juni) stelt Simon Harrison dat de jacht op menselijke trofeeën zich volledig afspeelt op het niet-Westerse strijdtoneel. Dit is onjuist: in de Tweede Wereldoorlog in Italië bij Monte Cassino in 1944 sneden Gurkha-eenheden (onderdeel van het Brits-Indisch leger) de oren af van gesneuvelde Duitsers en kregen hiervoor een premie van 1 tot 5 pond sterling per paar. Dit bleek zo lucratief, dat ook de oren van de geallieerde troepen er aan moesten geloven (!). De Britse legerleiding stopte daarop de uitbetaling.

Jan Wanrooij

Den Haag

Duurzame vis

In het artikel Mazen in het viskeurmerk (Wetenschapsbijlage, 16&17 juni) plaatst bioloog Rainer Froese zijn kanttekeningen bij het MSC keurmerk voor duurzame visvangst. Ik zal niet zeggen dat het MSC zaligmakend is, maar het is wel het beste en betrouwbaarste keurmerk voor vis dat er nu voorhanden is. Milieuorganisaties, inclusief het Wereldnatuurfonds dat mede het MSC in het leven heeft geroepen, wijzen MSC op zwakke plekken in de criteria en zijn het lang niet altijd eens met de resultaten van een beoordelaar. Maar kritiek kan worden ingebracht en MSC is transparant in hoe die kritiek wordt verwerkt.

Wat een heel groot pluspunt is van het MSC is dat het keurmerk de visserij stimuleert om steeds te verbeteren. En dat is wat er wereldwijd nodig is. Vaak hebben vissers al veel verbeterd om het label te kunnen krijgen. Om het te kunnen houden, krijgen ze huiswerk mee op de onderdelen waar nog wat aan schort.

Ondanks dat de lat in de ogen van sommige critici veel te laag ligt, is er nog niet veel MSC-vis in de schappen te vinden. Dat zegt wat over de toestand van visbestanden in het algemeen. Het overgrote deel is zo weinig gereguleerd dat ze op dit moment niet eens in aanmerking komen voor certificering.

Wij ontwikkelden de VISwijzer, waarmee consumenten erachter kunnen komen of een vis die geen keurmerk heeft, min of meer verantwoord is. Uiteindelijk gaat het erom: alleen als we duurzame vis kopen, zal de visserij en viskweek verduurzamen. Van roepen wat er verkeerd is, worden de consumenten in elk geval niet veel wijzer.

Christien Absil

Stichting De Noordzee

Zaaistudies

Fase IV-onderzoek voor geneesmiddelen deugt niet. Tot die conclusie leidt het artikel Artsen ambassadeurs farmaceutische bedrijven (Wetenschapsbijlage, 16&17 juni) Wie zich verdiept in de Nederlandse situatie anno 2012 moet constateren dat die conclusie onterecht is. Om ongewenste beïnvloeding van artsen tegen te gaan, zijn er in Nederland strenge gedragsregels – met sancties – waarop zowel bedrijven als artsen worden aangesproken. Verder wijzen zowel de farmaceutische sector als de artsenorganisaties het gebruik van ‘seeding trials’ af (pseudo-wetenschappelijk onderzoek naar de werking van geneesmiddelen in de dagelijkse praktijk met als doel het geneesmiddel te promoten).

Onderzoek naar geneesmiddelgebruik in de praktijk wordt getoetst door onafhankelijke commissies. Als de wetenschappelijke onderbouwing onvoldoende is, krijgen bedrijven er eenvoudigweg geen toestemming voor. Fase IV-onderzoek in Nederland moet bijdragen aan betere zorg voor de patiënt en anders mag het niet plaatsvinden. De Stichting Code Geneesmiddelenreclame ziet hierop toe.

Tot slot is in Nederland afgesproken dat de financiële relaties tussen artsen en bedrijven transparant worden gemaakt, zodat iedereen kan zien welke dokters meewerken aan bijvoorbeeld adviesraden van bedrijven en wat ze daarvoor ontvangen. Ons land is daarin koploper. Dat artsen ambassadeurs zijn van farmaceutische bedrijven is dus niet aan de orde. En zo hoort het ook.

Frederik Schutte,

Secretaris Stichting Code Geneesmiddelenreclame, Den Haag

De jaren vijftig

Zo erg als Martijn Katan schrijft in de jaren vijftig was het toen helemaal niet (Een tijd waarin niets mocht, Wetenschapsbijlage 16&17 juni). Ik was twaalf in 1950. En ja, mijn ouders waren bezorgd over een nieuwe oorlog, maar wij kinderen totaal niet – te ver van ons bed. Er was geen angst voor ziekte en pijn; we wisten dat het bestond maar maakten ons geen zorgen. Wij speelden.

Ik had geen goed gebit en ging regelmatig naar de tandarts; die heeft mij geen pijn gedaan.

Ik kon mijn zorgen niet kwijt bij mijn ouders? Ik en mijn vriendjes hadden geen zorgen over oorlog of tandarts. En op school mocht ik gewoon praten.

En wij aten eenvoudig maar helemaal niet om je neus voor op te halen. Aardappels, groente en vlees, goed klaargemaakt – daar is niets tegen. En ook ’s winters was er groente. En we maakten ons geen zorgen om cholesterol; daar wisten we niets van en dat was een zorg minder dan nu.

‘Seks was een groot, schuldig geheim.’ Ja, dat klopt, dat was een onbegrijpelijk zwart gat. Het heeft me jaren gekost om daar uit te klauteren. Maar afgezien daarvan heb ik helemaal geen slechte herinneringen aan de jaren vijftig.

Dhr. K. Koefoed

Amsterdam

Correctie

Het bericht ‘Eten ruiken met je haren’ (Wetenschapsbijlage 23 & 24 juni) is niet geschreven door Margriet van der Heijden, maar door Lucas Brouwers.

    • Jan Wanrooij
    • Christien Absil
    • Frederik Schutte
    • Dhr. K. Koefoed