Barsten in de Nederlandseuitvoereconomie

De groei van de Nederlandse economie moet komen van de uitvoer. Onder meer de industrie, maar Nederland is niet trots op zijn maakindustrie. Drie ondernemers schetsen een perspectief.

Het ultieme moment van trots? Dat weet Gerard de Groot wel. Op de scheepswerf van Hyundai in het Zuid-Koreaanse Pusan naar de machinekamer van een gigantisch containerschip van Maersk. Sta je daar. Grootste scheepsbouwer ter wereld, grootste reder en dan wij: VAF Instruments uit de Vierlinghstraat in Dordrecht. Maar het is wel mooi de viscositeitsmeter van VAF die de stroperigheid van de olie naar de motoren meet. „Prachtig”, zegt De Groot, die bijna veertig jaar voor het Dordtse bedrijf werkt.

Wybren Jouwsma, medeoprichter en -eigenaar van Bronkhorst High Tech in Ruurlo, hoeft niet de halve wereld rond om zich trots te voelen. Gewoon om zes uur ’s ochtends op de zaak verschijnen omdat het brandalarm per ongeluk is afgegaan. Kom je daar, zit het personeel hard te werken. Zijn ze druk bezig de hypergevoelige vloeistofmeters voor laboratoria en chemiebedrijven in te pakken. Ja, zeggen ze dan, de bestelling moet af. Of de jonge jongens aanhoren als ze terugkomen uit India. Of Qatar. Vol verhalen over nieuwe klanten en nieuwe kansen.

Voor Martijn Boelens, directielid bij Lely in Maassluis, gaat het om het geluk van de boer. Als hij niet ’s ochtends vroeg in de melkstal hoeft te ploeteren omdat een robot van Lely automatisch de koe lokt, de uiers schoonmaakt en melkt, is Boelens tevreden. Zeker als blijkt dat de boer daardoor efficiënter en winstgevender werkt. „Minder stress voor de boer, minder stress voor de koe”, zo verwoordt Boelens het doel van de melkrobot.

De prestaties van VAF Instruments, Bronkhorst High-Tech en Lely zijn cruciaal voor het welvaren van de Nederlandse economie. Toegegeven, het zijn onbekende bedrijven. Maar ze zijn dominant in de markt voor hun producten. En ze exporteren het leeuwendeel van hun goederen naar het buitenland. Ze zijn het soort van bedrijven waar de Nederlandse economie op teert, zeker in crisistijd.

Als gevolg van de bankencrisis, de Europese staatsschuldencrisis en de huizenmarktcrisis moet enige groei van de Nederlandse economie van uitvoer komen. De overheid kan minder uitgeven, want er moet bezuinigd worden. Er worden minder huizen gebouwd en verkocht. Nederlandse huishoudens consumeren minder. Groei moet de komende jaren van uitvoer komen. Dat bleek ook uit de jongste ramingen die het Centraal Planbureau in juni bekendmaakte. Geen probleem, zou je denken. Nederland staat te boek als een open economie. Nederlandse bedrijven bezitten de VOC-mentaliteit. Toch staat de uitvoereconomie onder druk. Waar Duitsland, met zijn geroemde Mittelstand en gematigde lonen, het afgelopen jaar profiteerde van de eurocrisis en de dalende eurokoers, deed Nederland dat niet. Duitsland groeide, Nederland gleed in recessie. De Nederlandse concurrentiepositie staat al jaren onder druk.

De vraag aan de mannen van VAF, Lely en Bronkhorst is simpel: wat moet er in Nederland gebeuren om jullie dominantie in stand te houden?

Innovatie

Duurder mag, dommer niet. De drie bedrijven maken compleet verschillende goederen en exporten naar verschillende delen van de wereld, maar die regel geldt. Stijgende loonkosten en de verslechterende concurrentiepositie zien ze niet als een bedreiging, mits hun producten slimmer en beter zijn dan de concurrenten.

De grootste bedreiging voor hun positie is dan ook dat ze dom worden. Jouwsma pakt in Ruurlo een kastje van het formaat luciferdoosje. Het is een microsensor, een kastje met een buisje dat zeer nauwkeurig vloeistoffen en gassen kan meten en reguleren. In 2000 verkocht Bronkhorst de eerste microsensor. „De eerste gesprekken hierover voerde ik in 1976 met de Delfste hoogleraar Simon Middelhoek. We wisten theoretisch hoe het zou moeten werken, maar de techniek bestond niet om het te maken”, zegt Jouwsma.

Innovatie kost geld. De drie bedrijven besteden jaarlijks gemiddeld bijna 10 procent van de omzet aan onderzoek. Innovatie kost ook tijd. Bij VAF zijn ze jaren bezig met het uitdokteren van nieuwe apparatuur. Soms ben je negen jaar bezig en heb je beet. Andere keren verdwijnt vijf jaar onderzoek in de prullenbak. Project onhaalbaar.

Een collega van Gerard de Groot was namens VAF in april op de Sea Japan, een grote beurs voor de maritieme industrie. Lag daar een kopie van hun succesvolle viscositeitsmeter. De viscositeitsmeter waar twaalf jaar aan was gewerkt en die zo succesvol was dat het marktaandeel van VAF steeg van 50 naar 70 procent. De Groot is overtuigd dat de Japanse concurrent er niet in is geslaagd om de meter net zo nauwkeurig te maken, maar bij ieder product komt een dag dat „wat eerst unieke kennis was gemeengoed is geworden”, zegt De Groot. „Als je oude producten hebt, kan je niet tegen de Aziatische concurrenten op.”

Jouwsma is in drie woorden klaar als hij beschrijft wat hij van de overheid verwacht. „Continuïteit in beleid”, zegt hij. Een promovendus voert voor Bronkhorst een wetenschappelijk onderzoek uit wat misschien over jaren een commercieel rendabel product oplevert. Jouwsma: „Het onderzoek wordt gefinancierd met FES-gelden, zeg maar aardgasbaten. De financiering is rond tot 2014. Maar het beleid is veranderd. Krijgen we ook geld voor 2015? Dat is heel moeilijk.”

Een onderzoek zelf financieren is niet haalbaar. Slechts een deel van fundamenteel onderzoek is bruikbaar voor bedrijven. „Je kan universiteiten niet dwingen voor jou te werken. Ze willen geen research-centrum worden. De balans tussen topwetenschap en toegepaste wetenschap is moeilijk te vinden”, zegt Jouwsma. Consistent overheidsbeleid dat niet verandert na iedere kabinetscrisis is absoluut een must willen Nederlandse bedrijven innovatiever blijven dan hun buitenlandse concurrenten.

Openheid

De VOC-mentaliteit. De Nederlandse koopmansgeest. Het zijn twee clichés die volgens topmannen en zelfs premiers Nederlandse bedrijven zo succesvol maken. „Laat in de avond karaoke zingen met je Koreaanse klanten. Zo ziet het er uit”, zegt hij.

Werknemers moeten slim zijn, de producten moeten een gat in de markt opvullen, maar er is meer nodig om als klein Nederlands bedrijf de wereld als markt te mogen noemen: een open houding en een goede naam. En die staan onder druk.

Wilders? Euroscepsis? Heeft het werkelijk invloed op de zaken en winsten van Nederlandse bedrijven?

Dat niet, zegt Jouwsma. „Zo concreet krijgen onze zakenpartners het niet mee. Maar ze zien wel in den brede wat er in Nederland en Europa gebeurt. Tijdens het kopje koffie in de pauze van de onderhandelingen vragen ze dan: wat gebeurt er bij jullie? Breekt er een revolutie uit? Hoe zit dat? Ze spreken je er op aan en dat is natuurlijk funest.”

Jarenlang was De Groot voor VAF werkzaam in Duitsland. Hij spreekt de taal goed. De Groot: „Dat waarderen ze echt. Je hoeft niet zoals Sylvie van der Vaart super-Duits te spreken. Fouten maken mag. Maar de inzet wordt enorm gewaardeerd. Tegenwoordig is taalvaardigheid, behalve Engels, een groot probleem.”

Zijn ultieme angstbeeld is Japan. Niet dat dat land geen mooie dingen maakt. Japanse auto’s zijn wereldwijd een enorm succes. Maar de geslotenheid van Japanners is funest, zegt De Groot. „Ze staan helemaal niet open voor internationale samenwerking.” Hij heeft vaak genoeg Japanse scheepwerven benaderd. „Ze staan er niet voor open. Ze houden vast aan Japanse apparatuur, Japanse technieken. Internationaal is het niet meer top en dus verliezen ze marktaandeel. Zo moet het dus absoluut niet.”

Verwaarlozing

Boelens komt regelmatig op Duitse industrieterreinen. Lely bezit na overnames fabrieken in Wolfenbüttel, Waldstetten en Leer. „Hoe Duitsers en Nederlanders naar industrieterreinen kijken verschilt compleet”, zegt Boelens. In Duitsland ziet men een plek waar geld verdiend wordt. In Nederland ziet men een plek met een rookwolk waar je niet moet zijn.

Het valt op. De hoofdkantoren van VAF, Lely en Bronkhorst zijn niet gemaakt op te imponeren. Geen torens van staal en glas, maar een reusachtig uitgebouwde boerderij (Lely). Niet gevestigd op de Zuidas, de geïsoleerde microkosmos van financieel Nederland, maar in de gewone wereld, naast de Carglass (VAF) en de Boerendbond (Bronkhorst).

Volgens Boelens is Nederland niet trots op zijn maakindustrie. De politiek wil bedrijven die tastbare goederen produceren niet per se weghebben, maar de juiste manier om ze in stand te houden is ook nog niet gevonden, zegt hij. Dat heeft grote gevolgen. Boelens: „Londense banken en advocaten kunnen fungeren als financieel knooppunt van de wereld. In Nederland is dat niet zo. Verdwijnt je maaksector dan zijn je diensten ook snel weg.”

De drie zijn het onafhankelijk van elkaar eens. Het grootste gevolg van het gebrek aan status van de Nederlandse maakindustrie is dat het schier onmogelijk is om technisch geschoold personeel te vinden. Vacatures die twee jaar open staan, is geen uitzondering. Zelfs niet in crisistijd, met oplopende werkloosheid. De bedrijven gaan de boer op. Naar de technische hogescholen en universiteiten. Alles om aankomende ingenieurs en technici te overtuigen. Het probleem is dat te veel bedrijven in een te kleine vijver vissen, zeggen de directeuren. Jouwsma: „ASML in Eindhoven heeft honderden ingenieurs nodig. Daar kunnen wij niet tegen op.”

Probeer een jonge en gewilde techneut maar te overtuigen dat het leuker is om bij een klein en onbekend bedrijf in de provincie te werken dan bij een multinational in de Randstad. Jouwsma: „Ik probeer altijd te overtuigen door te zeggen dat wij 350 medewerkers hebben, en 92 procent van onze producten exporteren. Je komt dus nog eens ergens. Ook aan het begin van je carrière.” De mede-oprichter van Bronkhorst verwacht dat het alleen maar moeilijker wordt. Collegegelden gaan omhoog. De druk om snel af te te studeren stijgt door de invoering van boetesystemen. Jouwsma: „Wie gaat dan een relatief moeilijke en lange technische studie doen? Mensen zijn makkelijk en kiezen voor bedrijfskunde.”

Bij Lely leeft hetzelfde probleem. Een aanzienlijk deel van de technici die het bedrijf trekt komt uit een boerengezin. Bij hen leeft het, zegt Boelens. Maar het blijft moeilijk. Vier jaar geleden begon het bedrijf een samenwerking met een Turks bedrijf. In Nederland was het te moeilijk geworden om software-ontwikkelaars aan te trekken. Boelens: „Apple en Google waren domweg hotter om voor te werken.”

Nu heeft Lely vijfendertig man in Istanbul. Inmiddels kan het bedrijf ook nauwelijks hardware- of mechanica-ingenieurs vinden. „Die werven nu ook in Turkije. Stilletjesaan zijn wij daar een ontwikkelcentrum aan het opzetten. Straks komen de prototypes van onze melkrobots daar vandaan. En als wij in Nederland niet oppassen, maken wij de machines daar ook.” Boelens vindt die ontwikkeling persoonlijk jammer, als Nederlandse techneut. „Voor Lely maakt het niet uit. Wij vinden onze weg wel. Maar voor Nederland is het jammer. Over twintig of dertig jaar kunnen wij hier niet leven van bejaardentehuizen en hier en daar een dienstverlener.”