Zorgen voor mannen uit één stuk

Anna Rochester van een Amerikaanse sectie van het Rode Kruis verzorgt in Frankrijk tjidens WO I ernstig gewonde soldaten Foto Corbis

Enid Bagnold: Dagboek zonder data. Vertaald en ingeleid door Erwin Mortier. De Bezige Bij, 142 blz. € 17,90

De Grote Vleesmolen. Zo zou je de Eerste Wereldoorlog nog het best kunnen omschrijven. Want tot 1914 waren bij een gewapend conflict tussen twee bondgenootschappen nog nooit zo veel (negen miljoen) militairen gesneuveld.

Over de verschrikkingen van die oorlog, de eerste waarin op grote schaal moderne technologie werd ingezet, zijn sinds de wapenstilstand van 1918 bibliotheken vol geschreven. Beschrijvingen van het front, van de chaos in het achterland, van blunderende generaals en dappere of angstige soldaten voeren daarin de boventoon.

Sinds twintig jaar is er ook aandacht voor de vele miljoenen gewonden en verminkten onder die militairen, zowel in fictie als non-fictie. Pat Barkers Regeneration-romantrilogie, over legerpsychiater W.H.R. Rivers, die militairen met shellshock moest opknappen om ze naar het front terug te kunnen sturen, is er een indrukwekkend voorbeeld van.

Aan de Vlaamse schrijver Erwin Mortier, die zich in zijn bekroonde roman Godenslaap ook aan het drama van ’14-’18 wijdt, is het te danken dat aan die laatste categorie een ten onrechte vergeten boek is toegevoegd: Dagboek zonder data van de Britse schrijfster Enid Bagnold. Toen het in 1917 uitkwam, prees de pers het om zijn menselijkheid en mededogen. Je begrijpt die waardering meteen als je een passage leest als: ‘Kun je wennen aan de dood? Het is niet erg veilig daarover na te denken... Want als de dood goedkoop wordt is het wie toekijkt, niet wie sterft, die vergiftigd wordt.’ Treffender kun je de sfeer in een door zwaargewonde soldaten bewoond hospitaal bijna niet tekenen.

Enid Bagnold (1889-1981) baseerde haar boek op haar ervaringen als vrijwilligster in een militair hospitaal in een voorstad van Londen, waar gewonden van het front in Frankrijk terechtkwamen. In zijn boeiende en zeer informatieve voorwoord vertelt Mortier hoe de schrijfster, zelf een kolonelsdochter, zich daar aanmeldde toen de oorlog in het najaar van 1914 vastliep in de modder van België en Frankrijk en de contouren van een massaslachting begon aan te nemen.

Na publicatie van haar Dagboek zonder data werd Bagnold meteen door het militaire gezag ontslagen. Het laatste oorlogsjaar werkte ze als vrijwillige ambulancechauffeur aan het front in Frankrijk. Daarna wijdde ze zich aan haar lange en succesvolle literaire carrière.

Het bijzondere aan Dagboek zonder data is dat de ‘soepel geoliede machine’ van het militaire hospitaal, zoals Mortier het noemt, door Bagnold subtiel wordt gedemonteerd. Daardoor blijft van de van hogerhand verordonneerde heroïek van gewonde militairen, die zich opmaken om opnieuw ten strijde te trekken, alleen een miezerig restje over. Zielige mannen, die snakken naar aandacht, die met de verpleegsters flirten om zich nog een beetje een man en een potentiële minnaar te kunnen voelen.

Tegelijkertijd heeft Bagnold een scherp oog voor de – grillige – romantiek van het verpleegsterbestaan. Op soms dromerige manier beschrijft ze haar nachtelijke wandelingen en de schoonheid van de Engelse natuur – van de maan bijvoorbeeld die van de bomen en heggen ‘puntige schaduwen’ over een weg werpt, van besneeuwde takken en vallende bladeren, die de broosheid van het menselijk bestaan lijken te onderstrepen. Het mooist is het Dagboek op die bladzijden waar de ‘vluchtigheid van het leven’ in het hospitaal wordt beschreven. Want sterven doen veel van de vaak zwaargewonde patiënten, al proberen ze zichzelf wijs te maken dat ze nog een toekomst voor zich hebben als ze eenmaal zijn hersteld. In haar beschrijvingen van die valse hoop is Bagnold groots. Zoals bij de patiënt wiens neusgaten zijn weggeschoten en die alleen nog door twee buisjes kan ademen: ‘...hij was bijna hersteld voor hij longontsteking kreeg, hij was begonnen zich de kleine gewoontes van het leven weer eigen te maken.’ Op die manier benadrukt de schrijfster de wil om te leven, zelfs als je geen gezicht meer hebt.

Ondanks alle ellende die zij dagelijks om zich heen ziet, houdt de vertelster in Dagboek zonder data van het leven in het ziekenhuis. Het is een wereld van orde en ‘een stille processie van plichten’. Als een non die Christus adoreert, ontleent ze bevrediging aan haar dagelijkse confrontatie met het menselijk leed. Wanneer een zuster zich beklaagt over haar patiënten en zegt dat ze ‘geen mannen uit één stuk’ zijn, schrijft Bagnold treffend: ‘Dat is waarin ze zich vergist; het zijn mannen uit één stuk – wankel, gewoontjes, menselijk.’

Een vergelijkbare indruk maken Bagnolds beschrijvingen van de bezoekers van het hospitaal, die de verschrikkingen van de oorlog bagatelliseren om hun aanstaande verdriet over het verlies van hun dierbaren zolang mogelijk uit te stellen. Zoals die vader, ‘een mannetje op leeftijd’, die bij een gewonde officier naar de lotgevallen van zijn zoon komt informeren en dan eindelijk begrijpt wat er aan de hand is. ‘Er was de aanschaf van het uniform geweest, de bezoekjes aan het kamp in Engeland, de pakketjes om op te sturen – altijd weer de pakketjes – week na week. En nu: niets meer. geen pakketjes, geen brieven, stilte.’

    • Michel Krielaars