Stijlvol beuken

Troost voor Nederland: op het EK lacrosse in Amsterdam staan we vandaag in de halve finale. La-wát? „De snelste sport op twee benen.”

Wie voor het eerst een lacrossewedstrijd ziet, kan er geen chocola van maken. Twintig man in zwaar beschermende kleding en met helmen op spelen met een vreemdsoortig schepnetje aan een lange stok een klein rubberen balletje over. Er wordt geduwd en gebeukt; fysiek contact is een essentieel onderdeel van lacrosse. De spelregels zijn ingewikkeld en, net als bij bijvoorbeeld cricket, voor de leek moeilijk te doorgronden. Het spel ligt voortdurend stil, buitenspel betekent dat er te veel mensen in het aanvalsvak staan en het is niet altijd even duidelijk waar het kleine balletje zich op het veld bevindt.

Wie uiteindelijk voor lacrosse gewonnen is, ziet volgens Tim Woldering „de snelste balsport op twee benen. Ik ken geen andere sport die zo dynamisch is. Je moet je razendsnel kunnen aanpassen, creatief en snel zijn om verdedigers te verrassen. Gemiddeld worden in een wedstrijd dertig doelpunten gemaakt. Er gebeurt heel veel op het veld.”

Woldering is voorzitter van de Nederlandse lacrossebond en sinds anderhalve week gastheer van het EK lacrosse in Amsterdam, bij gebrek aan officiële lacrossevelden afgewerkt op hockeyvelden. De sport die in Canada en de Verenigde Staten razend populair is, wordt in Nederland door een kleine 700 mensen beoefend en is bij de meesten totaal onbekend. „Is dat geen vlinders vangen met netjes? Dat zijn toch mannen op paarden die met een stokje zwaaien? Is dat niet heel gewelddadig?” zijn uitspraken die Woldering wekelijks hoort. „Lacrosse bestaat bijna niet in Nederland. Door de sport bij de jeugd te introduceren, willen we die vooroordelen wegnemen en de bekendheid vergroten.”

Lacrosse combineert hockey, ijshockey en American football. Een wedstrijd duurt vier keer 20 minuten, waarin de twee teams van tien spelers elk (bij de vrouwen twaalf) met hockeysticks met aan het uiteinde een schepnetje het balletje in het doel moeten zien te werken. De spelers mogen achter het doel langs bewegen, net als in het ijshockey, en de bal met hun netje van de grond oprapen. Vrouwen staan zonder bescherming op het veld en mogen in tegenstelling tot de mannen geen bodychecks uitdelen of hard op de sticks van de tegenstanders slaan. „Bij de vrouwen is lacrosse eigenlijk niets meer dan hockey door de lucht”, zegt Woldering.

Het is onduidelijk wanneer lacrosse precies is ontstaan, maar volgens historici is het spel uitgevonden door indianen in Noord-Amerika. Zij zouden zich met het spel voorbereiden op oorlogen en er onderlinge conflicten mee uitvechten. In de 17de eeuw gaven Franse kolonisten die de indianen het spel zagen spelen, de sport zijn huidige naam. De eerste lacrosseclub werd in 1856 in Montreal opgericht. Met ijshockey is lacrosse de nationale sport in Canada.

Bij lacrosse kan het er hard aan toegaan. Maar wat opvalt aan het EK in Amsterdam is dat de kenmerkende gewelddadige stijl ver te zoeken is. De mannen delen soms een duw uit, maar hard wordt het nooit. Dat is niet vreemd, vindt Woldering. „Hoe hoger het niveau, hoe minder fysiek de sport wordt. Techniek en tactiek worden dan veel belangrijker dan hoe hard je een beuk kunt uitdelen. Zo hard als ijshockey is lacrosse niet.”

Lacrosse is in Noord-Amerika erg populair als universiteitssport en daardoor heeft het een elitair imago. Onterecht, vindt Michael O’Neill, de Amerikaanse bondscoach van het Nederlandse mannenteam. „Het is de nationale sport in Canada. In alle lagen van de bevolking is lacrosse populair. Dat kan hier in Nederland ook. Het vergt alleen wat tijd.”

Toch blijft de vraag of een sport die zo vast in de Noord-Amerikaanse traditie is geworteld, in Nederland voet aan de grond kan krijgen. Met ijshockey en American football is het in elk geval nooit gelukt. Waarom lacrosse dan wel? Woldering: „Omdat die sporten veel verder van de Nederlandse sportmentaliteit afstaan. Lacrosse staat in Nederland heel dicht bij hockey. We spelen dit EK op het complex van een aantal hockeyclubs. Zo bereik je de sportende jeugd wel.”

    • Arman Avsaroglu