Op zoek naar een ideale lustbalans voor je kind

Tieners genieten meer vrijheid dan ooit. Maar hun ouders voeren een gedoogbeleid, zo beschrijft Cas Wouters in zijn studie over seksuele opvoeding.

Nederland, Gouda, 24-11-2006 Tafereeltje op de Markt in Gouda rond 10 uur 's morgens op een door de weekse dag. Een jong verliefd stelletje. Fotografie: peter blok Peter Blok/Hollandse Hoogte

Cas Wouters: De jeugd van tegenwoordig. Emancipatie van liefde en lust sinds 1880. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 390 blz. € 19,95

Kalverliefde, daar hoor je nog maar zelden over spreken. Het is typisch zo’n term uit het midden van de 20ste eeuw, waarmee stille liefdes of heimelijk gescharrel van tieners werd aangeduid. Niet door betrokkenen zelf natuurlijk, maar door hun ouders en andere volwassenen. Het woord heeft een lichtelijk neerbuigende lading, anderzijds spreekt er ook de hoop uit dat een en ander inderdaad zo onschuldig uitpakt als die onhandige sprongen van kalfjes in de wei. Wie dit eufemisme in de mond neemt probeert zichzelf gerust te stellen dat het niet meer dan spielerei betreft.

Tienerliefde, waar tienerseks maar al te duidelijk doorheen schemert, is altijd een beladen onderwerp geweest. In De jeugd van tegenwoordig. Emancipatie van liefde en lust sinds 1880 schetst socioloog Cas Wouters de geschiedenis van de seksuele opvoedingspraktijken. Als aanhanger van Norbert Elias’ civilisatietheorie beziet hij die geschiedenis in het licht van voortgaande civilisatie, die tot uitdrukking komt in steeds meer informalisering, steeds grotere gelijkheid tussen de seksen, tussen de generaties en tussen de sociale klassen. Deze processen zijn volgens Elias en Wouters, blind en onontkoombaar.

De maatschappelijke ontwikkeling in de afgelopen 130 jaar van strenge restrictiviteit op het gebied van seks naar permissiviteit is genoegzaam bekend. Niet alleen kwamen opvoedingspraktijken vanaf 1870 meer in het teken van liefde te staan (gekoppeld aan een afname van autoritaire disciplinering), de modernisering van het dagelijkse leven bracht voor iedereen en dus ook voor jongeren meer vrijheid met zich mee. Openbaar vervoer, de fiets, sportclubs, later dansgelegenheden, ijssalons, de bioscoop boden nieuwe vormen van vertier, waar jongeren elkaar zonder ouderlijke supervisie konden ontmoeten.

Wouters beschrijft die hele jongerenemancipatie tot en met de recente vrijheden van uitgaan zonder thuiskomtijd, mobiele telefonie, internet, webcams en het blijven slapen van vriendjes en vriendinnetjes als een taak voor ouders van ‘rekken en erbij blijven’. Dit komt neer op gedogen, al moet er via de ‘liefdevolle opvoedingspraktijk’ wel voor worden gezorgd dat tieners in staat zijn hun primaire impulsen zelf te reguleren. Wouters spreekt in dit verband over de ‘lustbalans’: de spanning tussen het verlangen naar seks en naar relationele intimiteit. Traditioneel overheerste bij vrouwen (meisjes) het verlangen naar intimiteit, terwijl mannen (jongens) vooral op seks waren gericht. Dat ouders niets moesten hebben van tienerliefde is maar al te begrijpelijk in een maatschappij waar seks sowieso een taboe is, behalve in het huwelijk. Je moet er toch niet aan denken dat je dochter van vijftien zwanger thuiskomt! Ondanks de ook ten tijde van de brave jeugdsoos veelvuldig toegepaste praktijk van het rekken en erbij blijven bestond er in de hele 20ste eeuw geen adequaat woord voor een romantische verbintenis met seksuele implicaties. Als stel kon je getrouwd zijn of verloofd, maar voor de daaraan voorafgaande fase bestond geen benaming, althans niet in de etiquetteboeken die raad gaven over dit soort heikele kwesties. Het woord verkering werd alleen in de volksmond gebruikt en was domweg niet van toepassing op mensen van hogere of bourgeoiskringen. Verkering of vaste verkering was iets wat de keukenmeid had met haar huzaar. Wouters gebruikt de term voortdurend in zijn boek, misschien ook om hem geaccepteerd te krijgen als neutraal descriptief, maar voor mij overheersen onuitstaanbaar kneuterige en vooral ordinaire associaties.

Het is onmogelijk om op een neutrale manier over seks te spreken of te schrijven, als zelfs zo’n onschuldig woordje als verkering al bij sommigen een huiverige reactie oproept. Een historisch-sociologische studie als De jeugd van tegenwoordig kan niet worden geschreven zonder dat daar waardeoordelen van de auteur in doorklinken. Dat geeft niet, want waardeoordelen maken een boek leesbaarder en beter verteerbaar. Ook al citeert Wouters uit tal van bronnen en buigt hij zich over reeksen van droog empirisch onderzoek, hij moet de feitelijkheden toch aan elkaar schrijven en behalve een geschiedenis van de moraliteit in sexualibus ontstaat daaruit ook een beeld van hoe hij er zelf eigenlijk over denkt: wat goed is en verkeerd met jongeren en seks en hoe het ideaal eruit zou moeten zien. De kortst mogelijke samenvatting hiervan luidt: Wouters is een sixties-adept in hart en nieren, een zonnige vooruitgangsoptimist die niet zozeer gelooft dat wij leven in de best mogelijke der werelden, maar wel dat we met ons allen onstuitbaar op weg zijn naar de best mogelijke der werelden. Steeds meer emancipatie leidt tot steeds meer gelijkheid en informalisering, een betere lustbalans, betere zelfregulatie, en uiteindelijk meer beschaving.

In sommige gevallen ben ik het met hem eens, zoals wanneer hij commotie over breezerseks van jongeren in kelderboxen of over de seksualisering van de maatschappij in het algemeen rangschikt onder (overbodige) morele paniek. Inderdaad: seks hoeft niet weer haute couture te worden, want dat is het nooit geweest. In andere gevallen geeft hij blijk van gebrek aan werkelijkheidszin. Bijvoorbeeld bij het punt gesprekken tussen ouders en kinderen over seks. Voorzover ouders dit onderwerp aansnijden, beperken zij zich tot feitelijke voorlichting over lichamelijke veranderingen, zwangerschap, anticonceptie en de gevaren van soa’s.

Relationele en intieme aspecten van seks, zowel in de vreugdevolle als in de problematische sfeer, worden vermeden. Begrijpelijk, want hiermee zouden ouders zwaar in de privésfeer van kinderen treden, maar volgens Wouters zou de weerzin van tieners om met hun ouders over seks te praten best kunnen komen doordat ouders vroeger de lichamelijke nieuwsgierigheid van peuters en kleuters hebben afgeweerd en afgewezen. Hierdoor zijn er muren opgebouwd die in de relatie met hun kinderen nooit meer worden afgebroken. Het ideaal is duidelijk: een soort grenzeloze gelijkheid tussen ouders en kinderen die resoneert met de vrijheid-blijheid-seks van de jaren zestig. Maar dat de meeste ouders en tieners daar niets van moeten hebben, lijkt mij geen treffend voorbeeld van nog niet genoeg doorontwikkelde beschaving.

Relatief onderbelicht blijven de problemen die inherent zijn aan sociale klasse. Hoewel er een heel hoofdstuk is gewijd aan ‘nieuwe’ Nederlanders (allochtonen), die in hun denken en opvoedingspraktijk veel weg hebben van de lagere sociale klasse ‘oude’ Nederlanders, tilt de auteur niet heel zwaar aan de implicaties van klasseverschillen voor waarden en gedrag. Al sinds 1968 koppelen de lagere klassen een restrictieve moraal aan een vroege (in leeftijd) en uitgebreide seksuele praktijk, terwijl dat bij de midden- en hogere klasse andersom ligt: een permissieve moraal met minder daadwerkelijke seks. De cijfers voor seksuele dwang geven geen reden tot vreugde: 13 procent van de meisjes uit de midden- of hogere klasse en 21 procent uit de lagere klasse zegt wel eens gedwongen te zijn tot seksuele handelingen.

Hoe affectiever en gelijkwaardiger de opvoeding, hoe meer het kind beschermd wordt tegen narigheid als gedwongen of instrumentele seks, ongewenste zwangerschap, soa’s of seksverslaving. De enige goede opvoeding is een middenklasseopvoeding. Spijtig genoeg bestaat de maatschappij uit meer geledingen dan alleen de middenklasse. In dat opzicht is De jeugd van tegenwoordig een beetje een zelfgenoegzaam boek. En die seksuele heilstaat zal ook nog wel even op zich laten wachten.

    • Beatrijs Ritsema