Opinie

    • Frits Abrahams

Nora Ephron

Wat blijft er over van iemands leven? Weinig tot niets. In het geval van Nora Ephron, de deze week overleden schrijver en filmmaker, lijkt het alleen de weergaloze fake-orgasme-scène uit When Harry met Sally te zijn, een film waarvoor zij het scenario schreef. Dat zou al te beperkt zijn.

In de necrologieën lag het accent op haar filmwerk, maar laten we vooral niet vergeten dat zij ook een begaafde columnist was, scherpzinnig en geestig, met het vermogen om op een ogenschijnlijk luchtige manier over ernstige zaken te schrijven. Ze schreef niet zozeer droogkomisch als wel wrangkomisch. Met een onbarmhartige blik kon ze naar zichzelf en haar omgeving kijken, altijd bedacht op onzuivere motieven. Daarin deed ze me weleens denken aan Renate Rubinstein, al was die veelzijdiger in haar onderwerpkeus en vaak betogender van toon.

Zelfspot was Ephron niet vreemd. Ze schreef eens een amusant stuk over haar verblijf als assistent op het Witte Huis ten tijde van president Kennedy. Ze zat met vijf andere vrouwen op het secretariaat van Kennedy’s woordvoerder Pierre Salinger. Twee van hen deden niets anders dan foto’s van Kennedy en Salinger signeren.

Met Kennedy mocht ze kort kennismaken. Daarna ontmoette ze hem nog eens toen hij per helikopter naar zijn vakantieadres vertrok. De president liep langs haar heen, op weg naar zijn helikopter waarvan de roterende wieken een razend lawaai maakten. Hij herkende haar en hij zei ook iets, wat ze niet goed kon verstaan. Ze probeerde het van zijn lippen af te lezen. Misschien was het : „Waarom ga je niet mee?” Maar ze was er niet zeker van, dus antwoordde ze: „Wat?” Kennedy liep door naar zijn helikopter. Misschien, peinsde ze later, was ze wel de enige jonge vrouw in het Witte Huis die niet door Kennedy versierd was.

Nora Ephron schreef ook over persoonlijke zaken, zoals haar echtscheidingsperikelen; naarmate ze ouder werd gaf ze steeds meer aandacht aan het (en haar) lichamelijke verval. (Ook hier dus parallellen met Rubinstein.) Vooral nek en hals leken haar te obsederen, ze vernoemde er zelfs een bundeling naar: I Feel Bad About My Neck. Citaat: „Ik doe vaak wat zoveel vrouwen van mijn leeftijd doen als ze voor de spiegel staan: ik trek zacht het vel van mijn hals terug en kijk droevig naar een jongere versie van mezelf.”

Ze had een hekel aan leeftijdgenoten die geforceerd blijmoedig de ‘zegeningen’ van de ouderdom aanprezen: hoe mooi het toch was om oud, wijs en mild te worden. Voor de naderbij sluipende lichamelijke gebreken hield ze een scherp oog.

„In deze dagen van fysieke fitheid, haarverf en plastische chirurgie”, schreef ze, „kun je een groot deel van je leven doorbrengen zonder je oud te voelen of er oud uit te zien. Maar dan, opeens, begeeft je knie het, of je schouder, of je rug, of je heup. Je opvliegers zijn afgelopen; de zaakjes gaan hangen. Er verschijnen vlekken.”

Voor je het beseft wordt het tijdelijke ongemak een permanent ongemak waarmee „je moet leren leven”, zoals de arts het o zo verstandig uitdrukt. Deze week sprak ik een oudere dame die plotseling last had gekregen van ‘schuivende wervels’. Ze had er nooit eerder van gehoord. Ik ook niet. Vreemd. Waarom houden die wervels niet hun gemak?

„Iedereen gaat dood”, schreef Nora Ephron. „Daar kun je niets aan doen. Of je nu wel of niet zes amandelen per dag eet. Of je nu wel of niet in God gelooft.”

    • Frits Abrahams