Mooi en duur ongelukkig zijn

Erwin Olaf: Own. Works 1984-2012. Ludion/De Bezige Bij, 368 blz. € 59,90.

Lees de naam Erwin Olaf en er verschijnt een onberispelijke foto op je netvlies. Erotische foto’s van naakte mannen met forse geslachtsdelen, surrealistische foto’s van SM-fantasieën, glamourfoto’s van bloedmooie modellen, taboefoto’s van schaars geklede dames op leeftijd, cinematografische foto’s uit jaren vijftig films die nooit gemaakt zijn, reclamefoto’s die voor beeldende kunst moeten doorgaan en (kunst)historisch getinte foto’s, geënt op 16de- en 17de-eeuwse stillevens en Caravaggio-achtige schilderijen.

Olaf, ook alweer in de vijftig, heeft die kleur- en zwartwit-series bijeengebracht in een stoeptegelboek. Al bladerend zijn de Aha-Erlebnisse niet van de lucht. Want tentoonstellingen, opdrachten en onderscheidingen zorgden de afgelopen jaren voor veel visuele tamtam in het medialandschap.

Je zou het niet vermoeden, maar Olafs carrière begon als fotograaf bij Vrij Nederland en Nieuwe Revu. Zijn moeder is er debet aan dat hij van richting veranderde, vertelde hij onlangs op de radio. Hij liet haar als beginnend fotograaf een zelfportret met vochtig hoofd zien. Wat vond ze daar nou van? Waarom dat water, vroeg ze. Nee, dat is sperma, zei zoonlief, ongetwijfeld in afwachting van een geshockeerd moederhoofd. Maar elke emotie bleef uit, er volgde alleen maar een ‘O’ – zonder oordeel.

Dat ‘O’ gaf Olaf groen licht om zijn droombeelden en fantasieën te visualiseren: alles kon, en alles mocht , dankzij die indirecte, moederlijke goedkeuring. Weg van de non-fictie van de Nieuwe Revu, ‘ik laat liever de wereld zien zoals die in mijn hoofd zit’, zei hij. In dat hoofd gisten de beelden. Mode, design, film, theater, kunstgeschiedenis en verbeelding trekken gezamenlijk op. Olafs niet aflatende inzet voor de homo-emancipatie kom je ook in zijn werk tegen. En zijn rol als provocateur bij het slechten van taboes, zoals het half ontklede lijf van een serie bejaarde dames, heeft hij eveneens met verve gespeeld.

Brainwaves

Bij het vormgeven van al die multidisciplinaire brainwaves opereert hij als een controlfreak – ‘alleen het model krijgt speelruimte’, zegt hij nog steeds. Er worden toepasselijke decors en feilloos gestoffeerde interieurs ontworpen, sfeervolle attributen gezocht, kleurenfilters aangewend. Daarmee houdt het wikken en wegen niet op. Want op de set moet natuurlijk alles ook feilloos kloppen. En na afloop begint het photoshoppen. Dat gebeurt zo geraffineerd dat hij zichzelf in één en hetzelfde jaar, 2009, in drie levensfases – jaar (‘I wish’, ‘I am’, ‘I will be’) – met een geloofwaardig verouderend hoofd wist te portretteren. Probeer hem elders in dit boek op een fotografische oneffenheid te betrappen – een verdwaalde schaduw, een vlek op een jurk – het zal niet lukken.

Grappig is dat niets aan het toeval wordt overgelaten, maar dat intussen de meest uiteenlopende invloeden in zijn werk zijn doorgesijpeld. Amerikaanse schilders als Edward Hopper en Norman Rockwell dienen zich aan. Je wordt aan het fotowerk van Inez van Lamsweerde herinnerd. Ach, duikt daar niet de erotomaan Pierre Molinier op, die in de jaren vijftig alle burgermansfatsoen over de schutting smeet en obscene opnamen maakte van gemaskerde en in strakzwart gestoken seksbelustedames en heren? Olafs bekende foto’s van volumineuze, ingesnoerde dames doen denken aan de gemaltraiteerde poppen waar de Duits-Franse kunstenaar Hans Bellmer van bezeten was. En dan hebben, behalve Robert Mapplethorpe en Cindy Sherman, ook cineasten als Fellini, Pasolini en David Lynch hun sporen nagelaten, net als de tv-serie Mad Men.

In enkele interviews in het boek vertelt Olaf dat het barokke langzaam maar zeker plaatsmaakt voor het bezonkene. Hij is de laatste tijd serieuzer, gevoeliger geworden, beseft beter wat voor shockeffect sommige foto’s op anderen kunnen hebben, vertelt hij.

Clownesk

Inderdaad, zo clownesk als zijn serie Paradise The Club (2001) oogt – hysterisch partypubliek – zo sober is een recente serie als Hotel (2010). Daarin zien we steeds weer een jonge vrouw in een luxueuze hotelkamer, hangend in een stoel of gedrapeerd op een bed, in gepeins verzonken. Ze ligt daar als een Fremdkörper, een ontheemde, waar menig reiziger zich wel iets bij kan voorstellen. Is ze zielig? Nee, dat valt wel mee. Olaf heeft haar in onweerstaanbare lingerie gestoken en door een visagiste onder handen laten nemen. Ze ligt heel mooi en erg duur nogal ongelukkig te zijn. En dat dempt de geloofwaardigheid van haar ontheemding, en dus ook de empathie van de toeschouwer.

Nog soberder is de serie Keyhole (2011): jonge mensen in jaren veertig-, vijftig-achtige kleding die zich tegen een wand of in de hoek van een kamer verstoppen. Ze staan daar zoals vroeger ongehoorzame scholieren moesten staan. Buitengesloten en schaamtevol. Best lastig om van zo weinig een beeld te componeren dat beklijft. En dat doet het, want je kijkt langer dan zo’n simpel visueel gegeven rechtvaardigt. Waarom? Omdat het beeld meer is dan een cocktail van ultra-esthetiek en hyperstilering. Je komt deze personages nader, ze zijn eigenaardig in hun gedateerdheid, maar toch invoelbaar – terwijl de theatrale gekunsteldheid waar Olaf vaak zo goed mee overweg kan, juist afstand schept.

Blader nog even terug in het boek en dan blijkt dat in series als Rain en Hope (2004/2005) dat isolement van die scholieren al eerder als thema opdook. Mensen die weliswaar samen in een ruimte zijn, maar zich emotioneel voor elkaar verschansen. Even denk je dat Olaf jaren bezig is geweest begrippen als ontheemding en eenzaamheid met heel veel stilering te verbloemen. Maar dat is psychologiseren. Hij vindt reclame-opdrachten nog steeds interessant, al zullen in de toekomst natuur en schilderkunst hem fotografisch meer gaan bezighouden. Zo vertrouwt hij ons toe in dit, vanzelfsprekend, onberispelijke boek.

    • Marianne Vermeijden